Week 3 Ne 3B/K Woordsoorten quiz

Woordsoorten
Lidwoord
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Werkwoord
Voorzetsel
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Woordsoorten
Lidwoord
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Werkwoord
Voorzetsel

Slide 1 - Tekstslide

Benoem het woord:
De auto is KAPOT gegaan.

A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 2 - Quizvraag

Benoem het woord:
Mijn zus heeft mij GEHOLPEN.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 3 - Quizvraag

Benoem het woord:
Hij IS aardiger dan zijn vriend.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 4 - Quizvraag

Benoem het woord:
Ik ga OP de fiets naar school.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 5 - Quizvraag

Benoem het woord:
De jongen HEEFT de auto gewassen.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 6 - Quizvraag

Benoem het woord:
Het huis is groot en DUUR.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 7 - Quizvraag

Benoem het woord:
Mijn schrift ligt NAAST mijn boek.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 8 - Quizvraag

Benoem het woord:
Welke BLOEM vind jij het mooist?
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 9 - Quizvraag

Benoem het woord:
Hij heeft 10 km GELOPEN.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 10 - Quizvraag

Benoem het woord:
Mijn HUISWERK heb ik niet gemaakt.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 11 - Quizvraag

Benoem het woord:
Het boek is ACHTER de bank gevallen.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 12 - Quizvraag

Benoem het woord:
De dikke trui is WARM genoeg.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 13 - Quizvraag

Benoem het woord:
Mijn MONDKAPJE ligt nog thuis.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 14 - Quizvraag

Benoem het woord:
Het chromebook ligt nog BENEDEN.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 15 - Quizvraag

Benoem het woord:
Wanneer GA jij naar huis?
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 16 - Quizvraag

Benoem het woord:
Hoeveel VINGERS steek ik op?
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 17 - Quizvraag

Benoem het woord:
Dat cadeautje is VOOR mijn zus.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 18 - Quizvraag

Benoem het woord:
De beste MANIER is goed leren.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 19 - Quizvraag

Benoem het woord:
Ik heb een paar dagen vrij GENOMEN.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 20 - Quizvraag

Benoem het woord:
JANNEKE heeft een leuk hondje.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 21 - Quizvraag