Grenzen en identiteit

Grenzen en identiteit
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

Onderdelen in deze les

Grenzen en identiteit

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Leerdoelen 5.1 
  • Je weet op welke manier en aan welke landen Nederland grenst.
  • Je kent de invloed van de landsgrens op de aanliggende gebieden in Nederland.
  • Je kent de betekenis van het Verdrag van Schengen en kunt er de voor- en nadelen van benoemen.

Slide 3 - Tekstslide

Aan welke 4 landen grenst Nederland?

Slide 4 - Open vraag

Grenzen
  • België
  • Duitsland
  • Frankrijk (op Sint Maarten)
  • Groot-Brittannië (op zee)

Slide 5 - Tekstslide

Heeft Nederland vooral harde of zachte grenzen
A
Harde grenzen
B
Zachte grenzen

Slide 6 - Quizvraag

Waaraan merk je dat? Geef een voorbeeld.

Slide 7 - Open vraag

Enclave's
Een enclave is een gebied dat geheel wordt omsloten door grondgebied van één ander land

of:

Een klein ''eilandje'' van 1 land in een ander land. 

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Grens van Europa

Het Verdrag van Schengen:  een overeenkomst tussen landen om de grenscontroles voor personen af te schaffen.


Slide 10 - Tekstslide

Leg uit dat als een vluchteling eenmaal in Portugal is aangekomen, deze zonder problemen kan doorreizen naar Nederland.

Slide 11 - Open vraag

Denk jij dat dit verdrag nog lang stand zal houden als je kijkt naar de spanningen in de wereld?

Slide 12 - Open vraag

Slide 13 - Video

Is je mening door deze video verandert?
Ja
Nee

Slide 14 - Poll

Aan de slag! 
Lezen: Paragraaf 5.1 'De grenzen van Nederland

Maken: opdracht 1 t/m 6 
timer
1:00

Slide 15 - Tekstslide

5.2 Nederlanders en Belgen

Slide 16 - Tekstslide

Zou het kloppen dat ‘dé Belg’ niet bestaat?

Slide 17 - Open vraag

Leerdoelen 5.2
  • Je weet hoe de staten Nederland en België onderverdeeld zijn in kleinere regio’s en dat daartussen verschillen bestaan.
  • Je kunt enkele algemene verschillen tussen Nederlanders en Belgen beschrijven.
  • Je begrijpt dat mensen de regionale identiteit soms belangrijker vinden dan de nationale identiteit.

Slide 18 - Tekstslide

Nederland
Nederland is eeneenheidsstaat
Er is een centrale regering waaraan lagere overheden uiteindelijk altijd moeten gehoorzamen.

Er zijn verschillen tussen gebieden op het gebied van welvaart (Rijke westen) en culturele verschillen (verschillende dialecten) 

Slide 19 - Tekstslide

Belgie
België is een federale staat.
Er zijn drie aparte bestuurslagen die los van elkaar eigen beslissingen mogen nemen. Dit zijn de landsregering, de gewesten (de gebieden Brussel, Vlaanderen en Wallonië) en de driegemeenschappen.

Ook heeft Belgie een taalgrens

Slide 20 - Tekstslide

Welke gemeenschappen worden door de Belgische taalgrens van elkaar gescheiden?

Slide 21 - Open vraag

Slide 22 - Video

Stereotype Belg?
Stereotype Nederlander?

Slide 23 - Tekstslide

Omschrijf een stereotype
(Geen Belg of Nederlander)

Slide 24 - Open vraag

Verschillen
  • Godsdienst (het katholicisme) is in België belangrijker dan in Nederland. 
  • Nederlanders focussen meer op een goed contract dan goed contact. 

Slide 25 - Tekstslide

Overeenkomsten
Belgen noemen zichzelf Vlaming of Walloniër. 
Nederlanders benoemen graag de stad waar zij wonen. 
Er is geen sterke vaderlandliefde (chauvanisme)

Slide 26 - Tekstslide

Is hier sprake van chauvanisme?
A
Ja
B
Nee

Slide 27 - Quizvraag

Aan de slag! 
Lezen: Paragraaf 5.2 'Nederlanders en Belgen'

Maken: opdracht 1 t/m 6 
timer
1:00

Slide 28 - Tekstslide