Profiel ziekenhuis week 7

Week 7
Neurologie
Week 7
Neurologie
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 28 slides, met tekstslides en 12 videos.

Onderdelen in deze les

Week 7
Neurologie
Week 7
Neurologie

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een beroerte?

Slide 2 - Tekstslide

CVA = Cerebor Vasculair Accident
Letterlijk vertaald, een probleem (accident) met de bloedvaten (vasculair) in de hersenen (cerebrum).

Bij zo’n ongeluk gaat er iets mis met de bloedvoorziening naar je hersenen, waardoor ineens een deel van de hersencellen niet meer werkt. Met uitvalsverschijnselen als gevolg, zoals een verlamde arm, een scheve mond of diegene kan moeilijk praten. Een beroerte is een hersenaandoening die enorme gevolgen kan hebben voor jou als patiënt en voor je familie. Vaak is er blijvende schade en heb je als patiënt hulp nodig van anderen.
Beroerte is de verzamelnaam voor een herseninfarct en een hersenbloeding. Een herseninfarct komt vier keer vaker voor dan een hersenbloeding.
Verschil TIA en CVA

Slide 3 - Tekstslide

Een TIA is dus eigenlijk een beroerte die niet doorzet maar een TIA kan wel een voorbode zijn voor een beroerte (met blijvende neurologische uitval). Het is daarom erg belangrijk dat zo snel mogelijk een arts wordt ingeschakeld wanneer een patiënt verschijnselen heeft gehad die passen bij een TIA.

Bij een TIA zijn in principe alle functies binnen 24 uur weer hersteld.
Symptomen beroerte

Slide 4 - Tekstslide

Om een beroerte snel en goed te herkennen is er een ezelsbruggetje: mond-spraak-arm, beroerte-alarm. Je kunt een beroerte namelijk zo herkennen:
Vraag iemand om te lachen of de tanden te laten zien en kijk dan of de mond scheef hangt (Mond).
Laat iemand een paar zinnen zeggen en luister dan of zijn spraak in de war is of dat het niet goed verstaanbaar is (Spraak).
Laat iemand beide armen naar voren strekken en de binnenkant van de handen naar boven draaien. Kijk of een arm wegzakt naar beneden (Arm).
Niet iedereen heeft last van deze drie kenmerken. Let daarom ook goed op de onderstaande kenmerken van een beroerte en bel bij twijfel altijd 112 of de spoedlijn van de huisarts.
Kenmerken van een beroerte
Kenmerken van een beroerte ontstaan bijna altijd plotseling. De meest voorkomende kenmerken van een beroerte zijn:
Je hebt een scheve mond door (halfzijdige) verlamming in je gezicht
Je spreekt en denkt warrig
Je hebt plotselinge zwakte of verlamming in een arm of been
Andere kenmerken kunnen zijn:
Je hebt plotseling opvallende hevige hoofdpijn en bent misselijk
Je hebt plotseling tintelingen of gevoelloosheid in delen van je lichaam
Je bent plotseling erg draaiduizelig
Je weet plotseling niet waar je bent of verward
Je hebt problemen met slikken
Je hebt plotseling problemen met je coördinatie of evenwicht waardoor je kan vallen
Je ziet opeens niet goed meer (dubbelzien, wazig zien, blindheid)
Je kunt plotseling niet meer praten of begrijpt niet goed wat and

Slide 5 - Tekstslide

Om een beroerte snel en goed te herkennen is er een ezelsbruggetje: mond-spraak-arm, beroerte-alarm. Je kunt een beroerte namelijk zo herkennen:
Vraag iemand om te lachen of de tanden te laten zien en kijk dan of de mond scheef hangt (Mond).
Laat iemand een paar zinnen zeggen en luister dan of zijn spraak in de war is of dat het niet goed verstaanbaar is (Spraak).
Laat iemand beide armen naar voren strekken en de binnenkant van de handen naar boven draaien. Kijk of een arm wegzakt naar beneden (Arm).
Niet iedereen heeft last van deze drie kenmerken. Let daarom ook goed op de onderstaande kenmerken van een beroerte en bel bij twijfel altijd 112 of de spoedlijn van de huisarts.
Kenmerken van een beroerte
Kenmerken van een beroerte ontstaan bijna altijd plotseling. De meest voorkomende kenmerken van een beroerte zijn:
Je hebt een scheve mond door (halfzijdige) verlamming in je gezicht
Je spreekt en denkt warrig
Je hebt plotselinge zwakte of verlamming in een arm of been
Andere kenmerken kunnen zijn:
Je hebt plotseling opvallende hevige hoofdpijn en bent misselijk
Je hebt plotseling tintelingen of gevoelloosheid in delen van je lichaam
Je bent plotseling erg draaiduizelig
Je weet plotseling niet waar je bent of verward
Je hebt problemen met slikken
Je hebt plotseling problemen met je coördinatie of evenwicht waardoor je kan vallen
Je ziet opeens niet goed meer (dubbelzien, wazig zien, blindheid)
Je kunt plotseling niet meer praten of begrijpt niet goed wat anderen zeggen
Wat is een herseninfarct?

Slide 6 - Tekstslide

Bij een herseninfarct is er iets mis met de bloedtoevoer naar de hersenen. Een heel systeem van (kleine) slagaders zorgt ervoor dat zuurstofrijk bloed in alle delen van de hersenen komt. Bij een herseninfarct raakt zo’n slagader in de hersenen vernauwd of verstopt. Het hersengebied dat achter de verstopping ligt krijgt zo niet voldoende zuurstof. Als dit zuurstoftekort te lang duurt, sterft er hersenweefsel af. Daarom is het belangrijk dat er snel iets gebeurt.

Slide 7 - Tekstslide

Bij een herseninfarct is er iets mis met de bloedtoevoer naar de hersenen. Een heel systeem van (kleine) slagaders zorgt ervoor dat zuurstofrijk bloed in alle delen van de hersenen komt. Bij een herseninfarct raakt zo’n slagader in de hersenen vernauwd of verstopt. Het hersengebied dat achter de verstopping ligt krijgt zo niet voldoende zuurstof. Als dit zuurstoftekort te lang duurt, sterft er hersenweefsel af. Daarom is het belangrijk dat er snel iets gebeurt.

Slide 8 - Video

Filmpje: Wat is een beroerte?
Diagnose beroerte

Slide 9 - Tekstslide

De arts kan aan de buitenkant niet zien of iemand een herseninfarct of een hersenbloeding heeft. De klachten kunnen in beide gevallen namelijk hetzelfde zijn. Daarom wordt er zo snel mogelijk een foto, een CT-scan (Computer Tomografie) of MRI-scan (Magnetic Resonance Imaging) gemaakt van je hersenen. Op een scan kan de arts wel zien of je een herseninfarct of een hersenbloeding hebt. Zo kan deze direct besluiten welke behandeling je nodig hebt. Ook onderzoekt de arts je bloed en wordt er een hartfilmpje gemaakt.
Bij een TIA of een klein herseninfarct wordt soms een Duplex onderzoek gedaan. Dit is een geluidsonderzoek van de bloedvaten in de hals en in de nek. Hiermee kan een arts zien of een slagader vernauwd of afgesloten is.

Slide 10 - Video

Wat is het verschil tussen een CT scan en MRI scan?

Beiden maken beelden van het menselijk lichaam.
Bij een CT scan wordt er gebruik gemaakt van röntgenstraling. Een MRI maakt gebruik van radio actieve golven en een heel sterk magneetveld.

Het ene onderzoek is in verschillende situaties geschikter dan het andere. Zo is een MRI beter om te nemen van de spierweefsels. De CT scan is weer beter om botten in beeld te brengen. 

Een CT scan is veel korter dan een MRI scan, vooral voor mensen die niet stil kunnen liggen (zoals bijvoorbeeld kinderen of iemand met veel pijn) dan zal de voorkeur eerder uitgaan naar een CT scan dan een MRI scan.

Slide 11 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Behandeling CVA in acute fase?

Slide 12 - Tekstslide

Wat is de behandeling voor een CVA in de acute fase?
Deze behandeling heet intraveneuze trombolyse. Via een infuus wordt het stolseloplossend medicijn toegediend. Door het snel oplossen van het bloedstolsel in de hersenvaten kan de schade aan het hersenweefsel beperkt blijven. Hoe sneller met intraveneuze trombolyse gestart wordt, hoe effectiever de behandeling.

Hoe werkt een trombectomie?
Bij trombectomie wordt er een slangetje via de lies en het hart tot in de bloedvaten van de hersenen gebracht. Via het slangetje wordt het vastzittende bloedpropje met een soort kurketrekker losgetrokken en via het hart en de lies uit uw lichaam gehaald.

Slide 13 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Ziekte van Parkinson

Slide 14 - Tekstslide

De ziekte van Parkinson is een progressieve (klachten nemen in de loop van de tijd toe) neurologische ziekte. Bij deze ziekte vindt een soort afbraakproces plaats in een bepaald gebied in de hersenen. In deze gebieden bevinden zich de zenuwcellen die van vitaal belang zijn voor het soepel verlopen van bewegingen. De problemen die zich uiten worden veroorzaakt door een tekort aan de stof Dopamine in de hersenen.

Bij de ziekte van Parkinson verdwijnen deze zenuwcellen waardoor er te weinig dopamine wordt aangemaakt. Dopamine is een boodschapstof die nodig is om spieren in beweging te zetten. Naast dopamine zijn er nog andere boodschapstoffen. Bij een tekort aan dopamine raakt het evenwicht tussen de verschillende boodschapstoffen verstoord.
In Nederland hebben zo'n 40.000 mensen de ziekte van Parkinson. Het is een ziekte die voornamelijk op latere leeftijd ontstaat, en in 1 op de 40 gevallen voor het veertigste levensjaar.

Slide 15 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Epilepsie:
  • Focale aanval
  • Gegeneraliseerde aanval

Slide 16 - Tekstslide

Een aanval kan op één plek in je hersenen starten of in heel je hoofd.
Focale aanvallen: deze starten op één plek in je hersenen. Bij deze aanvallen kun je wel of niet bij bewustzijn zijn.
Generaliseerde aanvallen: Deze starten in beide hersenhelften tegelijk. Dat gebeurt vaak plotseling zonder waarschuwing. Bij deze aanvallen ben je meestal niet bij bewustzijn.
Soms kan een arts niet ontdekken waar de aanval begint. Dat heet ‘een aanval met een onbekend begin’. Ook is het mogelijk dat een plaatselijke aanval uitbreidt naar beide hersenhelften: van focaal naar gegeneraliseerd.

Absences
Tonisch-clonische aanvallen
Myoclonieën
Atone aanvallen
Salaamkrampen

Slide 17 - Tekstslide

Absences/wegrakingen:
Korte afwezigheden, waarbij de patiënt eventjes ‘weg’ is (wegrakingen/absences)

Grote aanvallen (de zogenaamde tonisch-clonische aanvallen)

Tics en losse schokken (myoclonieën)

Slap worden en spanning in de spieren kwijtraken (atone aanvallen)

Korte aanvallen waarbij de rug krom trekt en de armen, benen en het hoofd verstijfd naar elkaar toebuigen (salaamkrampen)

Slide 18 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Praktijkopdracht 7.4
Dhr Bouwman heeft pijn in zijn been

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Praktijkopdracht 7.4
Dhr Swier wordt niet lekker

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Video

Deze slide heeft geen instructies

EMV score
E = openen van de ogen
M = motorische reactie (noem een voorbeeld)
V = verbale reactie

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Video

Deze slide heeft geen instructies

1 leerteam bedenkt voor volgende week vragen over Neurologie

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies