De Present Simple wordt gebruikt voor feiten, gewoontes en dingen die regelmatig gebeuren.
🔹 Bevestigende zinnen:
Bij I, you, we, they gebruik je de stam van het werkwoord → I write, they play.
Bij he, she, it voeg je -s of -es toe → He writes, she goes.
🔹 Ontkennende zinnen:
Gebruik don’t bij I, you, we, they → I don’t like pizza.
Gebruik doesn’t bij he, she, it → She doesn’t like pasta.