TaalCompleet A2 les 2.1

TaalCompleet A2 les 2.1
Feesten en gewoontes
Je kan informatie begrijpen in informatieve teksten.
Je kan vragen beantwoorden over land van herkomst.
Je kan een iets vertellen over je eigen cultuur. 
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

TaalCompleet A2 les 2.1
Feesten en gewoontes
Je kan informatie begrijpen in informatieve teksten.
Je kan vragen beantwoorden over land van herkomst.
Je kan een iets vertellen over je eigen cultuur. 

Slide 1 - Tekstslide

Nieuwe woorden
de koning                 het cadeau                 het verschil, de verschillen
meeste                      Kerst
hoeven niet             de winter
Pasen                         de sneeuw
de chocola               vroeg
de kerk                       de wereld
Sinterklaas                hetzelfde

Slide 2 - Tekstslide

Opdracht 2
Lees de tekst op blz. 48 

Slide 3 - Tekstslide

Hetzelfde - dezelfde
Wat is het verschil?
het huis - hetzelfde huis
de tuin - dezelfde tuin

Slide 4 - Tekstslide

Heb jij in Nederland voor het eerst .....?

Slide 5 - Tekstslide

1. Op 27 april vieren we de verjaardag van de koning.
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quizvraag

2. Op Koningsdag zijn veel mensen vrij.
A
waar
B
niet waar

Slide 7 - Quizvraag

3. Met Pasen krijgen kinderen veel cadeaus.
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quizvraag

4. Scholen zijn op Tweede Paasdag dicht
A
waar
B
niet waar

Slide 9 - Quizvraag

5. Sinterklaas kom op 5 december naar Nederland.
A
waar
B
niet waar

Slide 10 - Quizvraag

6. Kinderen krijgen met Sinterklaas een cadeautje in hun schoen.
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quizvraag

7. Veel Nederlanders eten om 18.00 uur.
A
waar
B
niet waar

Slide 12 - Quizvraag

8. In andere landen zijn veel mensen langer dan Nederlanders.
A
waar
B
niet waar

Slide 13 - Quizvraag

Opdracht 11. 
Welk feest in jouw land vind jij het leukst?
Vertel in de klas over dit feest. 

Wat vier je dan?
Hoe lang duurt het feest?
Wat doe je tijdens dit feest?
Wat eet je tijdens dit feest?
Welke kleren draag je dan?
Waarom vind je dit feest het leukst?

Slide 14 - Tekstslide

Opdracht 12. Praat samen
1. Welke feesten zijn er in jouw land? Welke feesten zijn in Nederland en in jouw land hetzelfde?
2. Welk feest vind jij in Nederland het leukst? Waarom?
3. Wanneer geef jij iemand een cadeau? Wat geef je dan?
4. Kun jij fietsen en zwemmen? Wanneer heb je dat geleerd?
5. Veel Nederlanders eten om 18.00. Wat vind jij daarvan? Hoe eet je zelf?

Slide 15 - Tekstslide

Opdracht 12. Praat samen
6. Kom jij weleens te laat? Wat doe je dan?
7. Vind je het vervelend als iemand te laat is? Waarom?
8. In Nederland doen mannen en vrouwen hetzelfde werk. Wat vind jij daarvan? Welk werk doen mannen en vrouwen in jouw land allebei?

Slide 16 - Tekstslide

Dictee 1.
timer
2:00

Slide 17 - Open vraag

Dictee 2.
timer
2:00

Slide 18 - Open vraag

Dictee 3.
timer
2:00

Slide 19 - Open vraag

Dictee 4.
timer
2:00

Slide 20 - Open vraag

Dictee 5.
timer
2:00

Slide 21 - Open vraag

Dictee 6.
timer
2:00

Slide 22 - Open vraag

Dictee 7.
timer
2:00

Slide 23 - Open vraag

Dictee 8.
timer
2:00

Slide 24 - Open vraag