English common writing mistakes

Writing basic training
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Writing basic training

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Today!
  • Upcoming English writing exam 
  • Opbouw van een briefje
  • Common writing mistakes + practice
  • Writing about your internship

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opbouw Engels schrijven 
1. Aanhef (Dear ..........,) aan wie schrijf je
2. Witregel
3. Openingszin
4. Inhoud. (wat moet er allemaal in je brief komen te staan?)
5. Afsluitzin
6. Witregel
7. Afsluiting (Kind regards,)
8. Witregel
9. Je naam



Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

What are some of the most common mistakes?

Slide 4 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies


Choose the correct word:
''____ going to a party tomorrow''
A
There
B
They're
C
Their

Slide 5 - Quizvraag

There -> look over there!
Their -> It is their birthday!
They're = they are going to a party
Choose the correct word:
''Thank you, ____ my favorite customer.''
A
You're
B
Your

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct word:
''He hates blue, ____ is why he painted it red.''
A
Wich
B
Whitch
C
Which

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct word:
''I took two _____ of the sky.
A
photos
B
photo's

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

's 

is áltijd afkorting van is (zijn), he's nice

óf geeft bezit aan.
Timmy's schoolbook.
Meervoud

Heb je meer van één, dan plak je er een 's' achter. Nooit een hoge komma bij meervouden in het Engels. soms verandert de spelling.
Boy --> Boys
Lady --> Ladies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

____ the most wonderful time of the year.
A
It's
B
It

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

It's

It + is = het is.

'It's a hotel'
Its

geeft bezit aan.

''The hotel raised its prices.''

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Choose between a/ an:
1. Lucy has ____ dog.
A
a
B
an

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

a/an:
university
A
a
B
an

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een (A/An)
A gebruik je voor woorden die beginnen met een medeklinker:
- A woman
- A shoe
AN gebruik je voor woorden die beginnen met een klinker
- An apple
- An egg
Maar ook als een klinker klinkt als een medeklinker:
- ''u'' klinkt als ''you'' -> A university
- ''o'' klinkt als ''w'' -> A one-room apartment 
Maar ook als een medeklinker,klinkt als een klinker:
-  een stomme ''h'' -> an hour
- een afkorting -> an NBC reporter

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herschrijf de zin:
''he said he never talks too jane on friday but i dont believe dat.''

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdletters in het Engels
  • Begin van een zin
  • I = ik
  • Namen
  • Maanden en dagen

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Which of the following is not 'slang'?
A
Hi mate!
B
Good morning,
C
U
D
Awesome!

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zinsvolgorde! 
  • Tijdsbepaling altijd aan het begin of einde van een zin:
    I went to the parc yesterday.
  • ALTIJD plaats voor tijd
  • Wie doet wat waar wanneer.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Paragraphs!
New topic? New paragraph!
New idea? New paragraph!
Introducing a text? Paragraph!
Concluding your text? Paragraph!


Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Laatste tip: maak het jezelf makkelijk
Gebruik korte zinnen
Zoek niet alles op
Controleer je schrijfwerk goed op foutjes voordat je het inlevert. een paar keer rustig overlezen is niet raar.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Questions?

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies