BSR 10/3 2(a)ha Spelling §13 wwvorm en -tijd 2

  • Bespreek het huiswerk in tweetallen.
  • Maak beide startopdrachten.
  • Klaar? Begin alvast aan de paragraaf 7.15 (Mixopdrachten).
§13: Werkwoordsvormen en werkwoordstijden (verdieping)

Startopdracht:
2(A)HA
SPELLING
havo
Bepaal de werkwoordstijd van onderstaande zin. Leg ook op papier uit waarom!

'Zouden groentechips gezonder zijn dan gewone chips?'
timer
10:00
vwo
Maak de zin af in de aangegeven werkwoordstijd. Gebruik het aangegeven werkwoord.

- ovt: (stempelen) Vroeger / de conducteur / je kaartje / in de trein.
- vtt: (bouwen) Achter in de tuin / Victoria en Albert / een hut 

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

  • Bespreek het huiswerk in tweetallen.
  • Maak beide startopdrachten.
  • Klaar? Begin alvast aan de paragraaf 7.15 (Mixopdrachten).
§13: Werkwoordsvormen en werkwoordstijden (verdieping)

Startopdracht:
2(A)HA
SPELLING
havo
Bepaal de werkwoordstijd van onderstaande zin. Leg ook op papier uit waarom!

'Zouden groentechips gezonder zijn dan gewone chips?'
timer
10:00
vwo
Maak de zin af in de aangegeven werkwoordstijd. Gebruik het aangegeven werkwoord.

- ovt: (stempelen) Vroeger / de conducteur / je kaartje / in de trein.
- vtt: (bouwen) Achter in de tuin / Victoria en Albert / een hut 

Slide 1 - Tekstslide

  • Je kunt de acht werkwoordstijden herkennen. 
  • PlusdoelJe kunt de acht werkwoordstijden en vormen (stappenplan).
Lesdoelen

Slide 2 - Tekstslide

In deze les gaan we:
  • De startopdracht bespreken;
  • extra uitleg 7.13 (over werkwoordsvormen en -tijden);
  • checkmoment;
  • keuze: oefenen met paragraaf 5, 6, 12 of 13;
  • leerdoelen checken en afronden.

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Havo:
Zouden groentechips gezonder zijn dan gewone chips?

1. Er staat een vorm van het hulpwerkwoord zijn of hebben in de zin (v).
2. De persoonsvorm staat in de verleden tijd (v).
3. Er staat een vorm van zullen in de zin (t).
4. Op de laatste plaats komt de t van tijd (t).


Vwo:.
Maak de zin af in de ovt.
Vroeger stempelde de conducteur je kaartje in de trein.

Achter in de tuin hebben Victoria en Albert een hut gebouwd.


Slide 5 - Tekstslide

Hoe ging de startopdracht?
😒🙁😐🙂😃

Slide 6 - Poll

Weglatingsstreepje
blz. 254-255.
Werkwoords-vormen en werkwoords-tijden

Slide 7 - Tekstslide

Werkwoordsvormen
Je hebt geleerd dat werkwoorden verschillende vormen kunnen hebben. Hier staan ze nog eens op een rijtje:
  • infinitief (het hele werkwoord, de wij-vorm): werken, lopen
  • persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt): werk, loop,
  • persoonsvorm verleden tijd (pvvt): werkte, liep
  • gebiedende wijs (gw): werk, loop
  • voltooid deelwoord (vd): gewerkt, gelopen
  • onvoltooid deelwoord (ovd): werkend, lopend. 

Slide 8 - Tekstslide

Werkwoordstijden
Het Nederlands kent acht werkwoordstijden
  • onvoltooid tegenwoordige tijd (ott): 
  • onvoltooid verleden tijd (ovt): 
  • voltooid tegenwoordige tijd (vtt): 
  • voltooid verleden tijd (vvt): 
  • onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd (ottt): 
  • onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt):
  • voltooid tegenwoordig toekomende tijd (vttt):
  • voltooid verleden toekomende tijd (vvtt);

Slide 9 - Tekstslide

Zo herken je de werkwoordstijden
1. Staat er een vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn in de zin?
Ja? Dan is de zin voltooid. Schrijf een v op plaats 1 van de afkorting.
Nee? Dan is de zin onvoltooid. Schrijf een o op de plaats van de afkorting.
2. Staat de persoonsvorm in de tegenwoordige of de verleden tijd? Schrijf een t of een v op de tweede plaats van de afkorting.
3. Staat er een vorm van zullen in de zin? Ja? Dan is de zin toekomend. Schrijf een t op de derde plaats van de afkorting. Nee? Dan is dat niet het geval. Laat de derde plaats van de afkorting open.

4. Schrijf op de laatste plaats de t van tijd

Slide 10 - Tekstslide

Baklava bestaat uit laagjes filodeeg met daartussen een notenvulling.
A
onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
B
onvoltooid verleden tijd (ovt)
C
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
D
voltooid verleden tijd (vvt)

Slide 11 - Quizvraag

Had jij de courgetti met zalm geproefd?
A
onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
B
onvoltooid verleden tijd (ovt)
C
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
D
voltooid verleden tijd (vvt)

Slide 12 - Quizvraag

Zal ik een taart gaan bakken?

A
onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
B
onvoltooid verleden tijd (ovt)
C
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
D
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

Slide 13 - Quizvraag

'Ik kan werkwoordstijden herkennen.'
0 = echt (nog) niet / 10 = absoluut wel
010

Slide 14 - Poll

Volgens een bekend spreekwoord valt de appel niet ver van de boom.
A
onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
B
onvoltooid verleden tijd (ovt)
C
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
D
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)

Slide 15 - Quizvraag

Slide 16 - Tekstslide

Aan het werk
Wat?
Optie 1: Oefentoetsje maken over alles van cursus 7 tot nu toe.
Optie 2: Paragraaf 7.15 (Mixopdrachten) maken.
Optie 3: Online oefentoets van een zelf gekozen paragraaf maken (5, 6, 12 of 13).
Hoe?
Keuze: zelfstandig of in tweetallen.

Hulp
De 4 B's en het oogje.
Tijd
Timer.
Klaar?
Keuze 1: Verder oefenen in de online trainer.
* Kies je eigenlijk moeilijkheidsgraad.
Keuze 2: Verder in je leesboek!
timer
15:00

Slide 17 - Tekstslide

Waar ga jij de rest van de les mee bezig?
Oefentoets van heel cursus 7.
paragraaf 7.15 (Mixopdrachten) maken.
Oefentoetsje van een bepaald onderdeel van cursus 7.

Slide 18 - Poll

  • Je kunt werkwoordsvormen herkennen en spellen.
  • Je kunt de acht werkwoordstijden herkennen. 
  • Plusdoel: Je kunt de acht werkwoordstijden en vormen.
Lesdoelen

Slide 19 - Tekstslide

Hoe ging het oefenen met
deze spellingregel je af?


😒🙁😐🙂😃

Slide 20 - Poll

Maak de zin af en noteer de juiste werkwoordstijd:

Het (worden) vast een leuk avondje.


Slide 21 - Open vraag

Maak de zin af en noteer de juiste werkwoordstijd:

Wij (verhuizen) vorige week naar Amsterdam.

Slide 22 - Open vraag

Maak de zin af en noteer de juiste werkwoordstijd:

'Gisteren (hozen) het flink.'

Slide 23 - Open vraag

Wat moet je in de rest van de tekst nog
meer veranderen om het verhaal te laten
kloppen?

Slide 24 - Open vraag