In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
Cursus Taal formatieve evaluatie
Wat weten jullie al/nog?
Slide 1 - Tekstslide
Wat is moedertaal?
Slide 2 - Open vraag
tweede taal
vreemde taal
moeder-
taal
de taal die je leert vanaf je geboorte
taal die je er later bij leert, maar net zo goed spreekt, verstaat en schrijft als de taal die je vanaf je geboorte geleerd hebt.
taal die je later leert spreken, maar niet zo vaak gebruikt.
Amber woont in Breda. Haar vader komt uit Indonesië en communiceert vaak in het Indonesisch met haar. Haar moeder communiceert in het Nederlands met Amber. Welke taal is Indonesisch voor Amber?
Chris leert op school Spaans. Dat is handig, want in de vakanties gaat hij altijd naar Spanje op vakantie. Nu kan hij daar ook zijn eten en drinken in het Spaans bestellen. Welke taal is Spaans voor Chris?
Slide 3 - Sleepvraag
Fries is...
A
standaard Nederlands
B
een rijkstaal
C
een streektaal
Slide 4 - Quizvraag
dialect is ...
A
standaard Nederlands
B
een rijkstaal
C
een streektaal
Slide 5 - Quizvraag
Hoe kan het dat twee buurjongens die standaard Nederlands spreken ook een eigen streektaal hebben?
Slide 6 - Open vraag
Wat is een leenwoord?
Slide 7 - Open vraag
Uit welke talen heeft het Nederlands leenwoorden?
Slide 8 - Open vraag
In het Nederlands gebruiken we leenwoorden. Uit welk(e) land(en) namen we vroeger de meeste woorden over? En uit welk(e) land(en) nu? Zet de landen in de goede volgorde.
1.
2
3
Duits en Frans
Latijns
Engels
Slide 9 - Sleepvraag
Waarom verandert een taal?
Slide 10 - Open vraag
Wat zijn dit-->?
Slide 11 - Open vraag
Hoe kan het dat het Nederlands 26 letters heeft, maar meer dan 26 klanken bevat?