Je gedraagt je, zoals je dit ook van een ander verwacht.
Wanneer je toch medeleerlingen/docent stoort:
1e keer: naam op het bord + mondelinge toelichting.
2e keer: streep achter je naam + mondelinge toelichting.
3e keer: naar het leerlingenpunt (gemiste tijd dezelfde dag inhalen).
Einde les (na de bel) herstelgesprek. Je hebt het uitstuurformulier serieus en naar waarheid ingevuld. Jouw mening is hierin belangrijk.
Mobiele telefoons zijn NIET zichtbaar. Wel zichtbaar dan wordt deze ingenomen en naar de leerlingencoödinator gebracht.
Slide 3 - Tekstslide
SOM
Je kijkt in SOM.
In principe geen huiswerk; alleen ter voorbereiding (oefentoetsen) op toetsen of wanneer je de opdrachten niet afkrijgt/maakt tijdens de lessen Nederlands.
Slide 4 - Tekstslide
Wat heb je al gedaan?
Slide 5 - Tekstslide
P.T.O.'s / toetsweek
Geen rapportcijfers?
Wat gaan we afronden?
P.T.O. onderdeel lezen
Periode 3 toetsweek 17 t/m 21 maart
Start periode 4 - 14 april
Slide 6 - Tekstslide
Cursus 1 Meer dan lezen
Paragrafen 2 t/m 8
Leerdoel par. 2
Je leert de betekenis van onbekende woorden in een tekst ontdekken door woordraadstrategieën te gebruiken.
Slide 7 - Tekstslide
Weet je het nog?
In klas 1 hebben jullie de volgende woordraadstrategieën geleerd:
- synoniem
- omschrijving
- voorbeeld zoeken
Slide 8 - Tekstslide
Wat leer je nu?
Nieuwe woordraadstrategieën:
- tegenstelling zoeken
- bekend woorddeel zoeken
Slide 9 - Tekstslide
Video
We kijken samen het instructiefilmpje
Slide 10 - Tekstslide
Wat is een woordstrategie? Meerdere antwoorden mogelijk.
A
Een techniek om woorden te onthouden
B
Een manier om woorden te begrijpen
C
Een synoniem voor zinsbouw
D
Een soort grammatica
Slide 11 - Quizvraag
Waarom zijn woordstrategieën belangrijk? Meerdere antwoorden mogelijk
A
Verbeteren van leesvaardigheid
B
Vermijden van grammaticale fouten
C
Helpen bij het leren van nieuwe woorden
D
Verhogen van schrijfsnelheid
Slide 12 - Quizvraag
Let in de tekst op de woorden maar, echter, toch, daarentegen. Aan deze woorden kun je zien dat er een tegenstelling in de tekst staat.
Schrijf 1 zin waaruit een tegenstelling blijkt en benoem de tegenstelling.
Slide 13 - Open vraag
Noem 2 woorden met een voorvoegsel Noem 2 woorden met een achtervoegsel