Par 5.4: Mening geven en beargumenteren

Lesdoel(en)
Aan het einde van deze les:
- Kan je uitleggen wat het verschil is tussen mening en een feit en een voorbeeld hiervan geven

-  kan je een mening met argumenten onderbouwen



1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Lesdoel(en)
Aan het einde van deze les:
- Kan je uitleggen wat het verschil is tussen mening en een feit en een voorbeeld hiervan geven

-  kan je een mening met argumenten onderbouwen



Slide 1 - Tekstslide

Leg uit wat het verschil tussen
een feit en een mening is.

Slide 2 - Woordweb

Feiten en meningen
Feiten en meningen












feit
mening
Is echt of is werkelijk gebeurd.
Is wat iemand ergens van vindt of over denkt.
Kun je meestal controleren.
Verschilt per persoon: iedereen kan een andere mening hebben.

Slide 3 - Tekstslide

Discussie
In een discussie praat je met anderen over een bepaald onderwerp of over een stelling. 

Bijvoorbeeld: huiswerk maken, een game, schoolvakanties, sport, een serie of film. 

Een discussie kan je helpen om een mening te vormen over een onderwerp. 

Slide 4 - Tekstslide

Zo houd je een discussie:
  • Geef je mening en onderbouw
    deze met argumenten.
  • Luister naar elkaar en
    laat iedereen uitpraten.
  • Reageer op de argumenten
    van een ander. 
  • Blijf bij het onderwerp.
Discussie

Slide 5 - Tekstslide

Argument
Bij een mening hoort een argument.

Met een argument leg je uit waarom je iets vindt. 

Een argument begint bijvoorbeeld met: omdat, want, daarom 

Slide 6 - Tekstslide

Wat is een argument?
A
Dat is een reden waarom je iets vindt
B
Dat is wat je vindt
C
Dat is een stelling
D
Dat is een feit

Slide 7 - Quizvraag

Waarom een argument?
In allerlei situaties zoals thuis, op school of op het werk moet je
kunnen vertellen wat je van iets vindt en waarom. 

Je gebruikt argumenten om anderen te overtuigen van je
mening. 
Dat kan bijvoorbeeld:
- mondeling in een gesprek, discussie , vergadering of een debat 



Slide 8 - Tekstslide

Als je verstand van een onderwerp hebt, kun je jouw mening vaak duidelijker maker met behulp van feiten en ervaringen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Goede discussie
Zo houd je een goede discussie:

- Geef je mening en je argumenten (reden).
- Luister naar elkaar en laat iedereen uitpraten.
- Blijf bij het onderwerp!!
- Blijft respectvol naar je gesprekspartner ( géén emoties)
- Er is geen winnaar!!! Je doel is om de ander te overtuigen van jouw standpunt/ mening




Slide 10 - Tekstslide

Een regel bij discussiëren is:
A
Elkaar laten uitpraten.
B
Elkaar uitlachen.
C
Elkaar niet aankijken.
D
De discussie winnen.

Slide 11 - Quizvraag

Iedereen gaat tijdens de discussie op zijn strepen staan. Wat betekent dit?
A
Iedereen gaat op zijn eigen plaats staan
B
Iedereen blijft bij zijn eigen mening. Niemand geeft toe.
C
Iedereen probeert de ander te overtuigen
D
Iedereen staat op een streep.

Slide 12 - Quizvraag

Wat hoort bij elkaar?
argumenten
conclusie
mening/ stelling
inleiding
kern
slot

Slide 13 - Sleepvraag

Stelling: De leeftijd om een fatbike te mogen rijden moet omhoog naar 16 jaar.
Ben je voor of tegen?
Geef je mening bij deze stelling met minimaal één argument.

Slide 14 - Open vraag

4

Slide 15 - Video

01:29
Stelling: Een scheldwoord in een boek moet kunnen.

Becky: 'Wat maken een paar scheldwoorden nou uit als het verhaal er mooier of geloofwaardig door wordt!'

Zijn de woorden van van Becky: een stelling, een feit, een mening of een argument?

Slide 16 - Open vraag

01:33
Boas: 'Aanstellers. Schelden hoort bij het leven.'

Wat gebruikt Boas?
A
een stelling
B
een feit
C
een mening
D
een argument

Slide 17 - Quizvraag

01:37
Matteo: "Ik vind het echt niet kunnen."
Dit is een....
A
mening
B
argument
C
stelling
D
feit

Slide 18 - Quizvraag

01:40
Bob: "Ik vind dat het niet mag, omdat kleine kinderen die woorden dan ook gaan gebruiken."
Dit is een...
A
mening
B
stelling
C
argument
D
feit

Slide 19 - Quizvraag

Wat is de mening de Bond tegen vloeken?

Slide 20 - Open vraag

Wat is de mening van schrijver Sjoerd Kuyper over het gebruik van vloekwoorden?

Slide 21 - Open vraag

Welke argumenten gebruiken ze in de video om het publiek te overtuigen?

Slide 22 - Open vraag

Wat is jouw mening met betrekking tot het gebruik van vloekwoorden in leesboeken?
Geef je mening bij deze stelling met minimaal één argument.

Slide 23 - Open vraag

Grammatica
De structuur van je zinnen is ook erg belangrijk in een discussie.

Oefening 'dat'-zinsconstructie op de volgende dia

Let op:Na het voegwoord 'dat' volgt het onderwerp, daarna de tijd, dan het object, daarna de plaats en ten slotte het werkwoord. Het werkwoord staat dus aan het einde van de zin.

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Link

WHTUK
Wat: Oefening met betrekking tot een mening formuleren met een argument onderbouwen bij een stelling
Hoe: Zelfstandig werken
Tijd: 30 min
Uitkomst: Zelfstandig een mening kunnen formuleren
Eerder klaar: Maak de opdrachten in je werkboekje

Slide 26 - Tekstslide