Marktresultaat en Overheidsinvloed (1e) H3. Onvolkomen concurrentie

Marktresultaat en Overheidsinvloed
1. Economische doelmatigheid
  • volkomen concurrentie = perfecte markt = Pareto-optimum
  • homogene producten & gebrek aan innovaties
2. De overheid grijpt in
  • minimum & maximum prijzen
  • belastingen (heffingen) & subsidies
3. Onvolkomen concurrentie
  • marktmacht = marktfalen (monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie)
  • prijsdiscriminatie
4. Ontbrekende markten
  • asymmetrische informatie, averechtse selectie, collectieve goederen en externe effecten
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 44 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Marktresultaat en Overheidsinvloed
1. Economische doelmatigheid
  • volkomen concurrentie = perfecte markt = Pareto-optimum
  • homogene producten & gebrek aan innovaties
2. De overheid grijpt in
  • minimum & maximum prijzen
  • belastingen (heffingen) & subsidies
3. Onvolkomen concurrentie
  • marktmacht = marktfalen (monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie)
  • prijsdiscriminatie
4. Ontbrekende markten
  • asymmetrische informatie, averechtse selectie, collectieve goederen en externe effecten

Slide 1 - Tekstslide

Week 10 (vanaf 3 maart 2025)
Hoofdstuk 3. Onvolkomen concurrentie

  • terugblik vorige les (subsidies)
  • zelftest hoofdstuk 2 (de overheid grijpt in)
  • leerdoelen
  • instructie (marktmacht)
  • maakwerk: opdracht 3.1 t/m 3.5

Slide 2 - Tekstslide

Kosten
Het consumentensurplus neemt door de subsidie toe (rode balk). Tevens neemt het producentensurplus toe (blauwe balk).

De overheid betaalt de kosten van de subsidie (rode + blauwe balk + gele driehoek).

De kosten van de subsidie zijn niet volledig gedekt door de groei van het consumenten en producentensurplus → verlies aan surplus / welvaart (gele driehoek).

Slide 3 - Tekstslide

Zelftest H2
  • wat: 2.4 zelftest, opdracht 2.18 t/m 2.24 (pagina 36)
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 10 minuten
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 2.25 t/m 2.28
timer
10:00

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen H3. Onvolkomen concurrentie
  • Ik kan de begrippen op pagina 58 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan de gevolgen van machtsvorming voor het marktresultaat grafisch analyseren.
  • Ik kan uitleggen welke afweging de overheid maakt om in te grijpen bij machtsvorming.






















































Slide 5 - Tekstslide

Onvolkomen concurrentie
Volkomen
concurrentie
Onvolkomen
concurrentie

Slide 6 - Tekstslide

Marktmacht = marktfalen
Wat gebeurt er met het surplus als de marktvorm verandert van volkomen concurrentie naar monopolie?

  • een deel van het surplus verschuift van consument naar producent, de monopolist kan zelf prijs bepalen en zet de prijs hoger

  • een deel van het surplus gaat verloren, het aantal vragers neemt af (te hoge prijs), het aantal ruiltransacties daalt en de markt wordt minder economisch doelmatig

Slide 7 - Tekstslide

Monopolist en prijselasticiteit
De monopolist is prijszetter. Zij moet enkel rekening houden met betalingsbereidheid klant. Bij een hogere prijs wordt er minder gevraagd.

Een monopolist wil een hogere omzet met zijn bedrijf halen. In welk geval zal een monopolist eerder geneigd zijn de prijs te verhogen? Als de vraag naar zijn product elastisch of inelastisch is?
  • inelastisch, de vraag neemt relatief minder af dan dat de prijs in procenten stijgt, hierdoor zal de omzet stijgen

Slide 8 - Tekstslide

Opdracht 3.2 t/m 3.4
  • wat: opdracht 3.2 t/m 3.4
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: 10 minuten
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met opdracht 3.5
timer
10:00

Slide 9 - Tekstslide

Opdracht 3.2
Monopolie: prijsafzetfunctie (GO) valt samen met de collectieve vraagfunctie (Qv):
  • P vervangen door GO
  • Qv vervangen door q
  • Qv = -0,2P + 10
  • q = -0,2P + 10
  • q – 10 = -0,2P
  • -5q +50 = P
  • GO = -5q +50

Slide 10 - Tekstslide

Opdracht 3.2
  • GO = -5q +50
  • TO = GO x q
  • TO = -5q2 + 50q
  • MO =  TO' (afgeleide)
  • MO = -10q + 50

Slide 11 - Tekstslide

Opdracht 3.3
a. Leg uit vaste kosten geen invloed op MK?
  • vaste kosten veranderen niet met q
b. Bereken het aantal taxiritten bij MW.
  • MO = MK
  • -10q + 50 = 2,5q + 5 -> q = 3,6 (360.000)
c. Verklaar dat de prijs € 32 wordt.
  • q = 3,6 invullen in prijsafzetfunctie
  • p = -5 x 3,6 + 50 = € 32
d. Geef nieuwe prijs P* en hoeveelheid Q* aan.
e. Bereken de procentuele verandering van P.
  • ((€ 32 - € 20) / € 20) x 100% = 60%

Slide 12 - Tekstslide

Opdracht 3.4
a. Arceer het verloren surplus dat ontstaat.
b. Leg uit waarom dit niet voldoet aan Pareto.
  • in het Pareto-optimum is de prijs (GO) gelijk aan de marginale kosten (MK), hier ligt de prijs hoger dan de marginale kosten
c. De marktmacht van de aanbieder leidt tot een toename/afname van het totale surplus en tot een herverdeling van het surplus ten nadele van de consument/producent.
  • afname en consument

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Maakwerk deze week
  • wat: opdracht 3.1 en 3.5
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met paragraaf 3.6 t/m 3.7

Slide 15 - Tekstslide

Week 10 (vanaf 3 maart 2025)
Hoofdstuk 3. Onvolkomen concurrentie

  • terugblik vorige les (machtsvorming)
  • opdracht 3.2 t/m 3.4 klassikaal bespreken
  • leerdoelen
  • instructie (prijsdiscriminatie, overheidsmonopolies en
                              toezicht op de markt)
  • maakwerk: opdracht 3.6 t/m 3.19

Slide 16 - Tekstslide

Onvolkomen concurrentie
Volkomen
concurrentie
Onvolkomen
concurrentie

Slide 17 - Tekstslide

Marktmacht = marktfalen
Wat gebeurt er met het surplus als de marktvorm verandert van volkomen concurrentie naar monopolie?

  • een deel van het surplus verschuift van consument naar producent, de monopolist kan zelf prijs bepalen en zet de prijs hoger

  • een deel van het surplus gaat verloren, het aantal vragers neemt af (te hoge prijs), het aantal ruiltransacties daalt en de markt wordt minder economisch doelmatig

Slide 18 - Tekstslide

Opdracht 3.2
Monopolie: prijsafzetfunctie (GO) valt samen met de collectieve vraagfunctie (Qv):
  • P vervangen door GO
  • Qv vervangen door q
  • Qv = -0,2P + 10
  • q = -0,2P + 10
  • q – 10 = -0,2P
  • -5q +50 = P
  • GO = -5q +50

Slide 19 - Tekstslide

Opdracht 3.2
  • GO = -5q +50
  • TO = GO x q
  • TO = -5q2 + 50q
  • MO =  TO' (afgeleide)
  • MO = -10q + 50

Slide 20 - Tekstslide

Opdracht 3.3
a. Leg uit vaste kosten geen invloed op MK?
  • vaste kosten veranderen niet met q
b. Bereken het aantal taxiritten bij MW.
  • MO = MK
  • -10q + 50 = 2,5q + 5 -> q = 3,6 (360.000)
c. Verklaar dat de prijs € 32 wordt.
  • q = 3,6 invullen in prijsafzetfunctie
  • p = -5 x 3,6 + 50 = € 32
d. Geef nieuwe prijs P* en hoeveelheid Q* aan.
e. Bereken de procentuele verandering van P.
  • ((€ 32 - € 20) / € 20) x 100% = 60%

Slide 21 - Tekstslide

Opdracht 3.4
a. Arceer het verloren surplus dat ontstaat.
b. Leg uit waarom dit niet voldoet aan Pareto.
  • in het Pareto-optimum is de prijs (GO) gelijk aan de marginale kosten (MK), hier ligt de prijs hoger dan de marginale kosten
c. De marktmacht van de aanbieder leidt tot een toename/afname van het totale surplus en tot een herverdeling van het surplus ten nadele van de consument/producent.
  • afname en consument

Slide 22 - Tekstslide

Leerdoelen H3. Onvolkomen concurrentie
  • Ik kan de begrippen op pagina 58 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan de gevolgen van machtsvorming voor het marktresultaat grafisch analyseren.
  • Ik kan uitleggen welke afweging de overheid maakt om in te grijpen bij machtsvorming.
  • Ik kan de gevolgen van prijsdiscriminatie voor het marktresultaat grafisch analyseren.






















































Slide 23 - Tekstslide

Prijsdiscriminatie
Een manier voor de monopolist om zijn marktmacht nog verder te vergroten en ook het resterende deel van het consumentensurplus te bemachtigen is prijsdiscriminatie. De aanbieder vraagt verschillende prijzen aan deelmarkten voor een identiek product. De aanbieder moet dan wel:
  • de betalingsbereidheid van elke individuele consument weten
  • voor elke consument een aparte prijs rekenen die gelijk is aan
       de betalingsbereidheid van die consument

Voorwaarden:
  1. strikte scheiding tussen deelmarkten
  2. geen doorverkoop mogelijk tussen deelmarkten



Slide 24 - Tekstslide

Prijsdiscriminatie
Wat is het?
  • verschillende prijzen voor verschillende groepen consumenten

Waarom doen producenten dit?
  • producentensurplus uitbreiden ten koste van het consumentensurplus

Waar gebeurt dit vooral?

Slide 25 - Tekstslide

Prijsdiscriminatie
Een bedrijf kan voor een nieuw product een uniforme prijs vragen van $ 99.

Echter, de betalingsbereidheid van sommige groepen consumenten (bijvoorbeeld ‘Early Adopters’) ligt veel hoger dan $ 99.

Het bedrijf start daarom met een prijs van $ 399 en verlaagt deze in een aantal jaar stapsgewijs tot $ 99.

Slide 26 - Tekstslide

Prijsdiscriminatie
Welke doelstelling heeft de producent bij een prijs van € 50?
  • bij een prijs (GO) van € 50 is de MO = 0 -> maximale omzet

Wat is dan het producentensurplus (PS) en het consumenten- surplus (CS)?
  • CS = € 50 x 5 x 0,5 = € 125 miljoen
  • PS = GO (prijs) - MK = € 45 x 5 = € 225 miljoen

De producent begint met een prijs van € 80, en verlaagt deze na een maand naar € 50, wat is het CS en het PS dan?
  • CS = (€ 20 x 2 x 0,5) + (€ 30 x 3 x 0,5)  = € 65 miljoen
  • PS = GO (prijs) - MK = (€ 75 x 2) + (€ 45 x 3) = € 285 miljoen
  • de producent heeft € 60 miljoen afgeroomd van het CS
  • bij perfecte prijsdiscriminatie is er geen CS, de prijs is voor elke consument gelijk aan zijn betalingsbereidheid


Slide 27 - Tekstslide

Maakwerk
  • wat: opdracht 3.7 (prijsdiscriminatie)
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met paragraaf 3.6

Slide 28 - Tekstslide

Opdracht 3.7abc

Slide 29 - Tekstslide

Opdracht 3.7def

Slide 30 - Tekstslide

Leerdoelen H3. Onvolkomen concurrentie
  • Ik kan motieven noemen voor nationalisering en privatisering.
  • Ik kan uitleggen dat de overheid door liberalisering de marktwerking stimuleert.
  • Ik kan een relatie tussen opdrachtgever en uitvoerder met de principaal-agent analyseren.
  • Ik kan uitleggen dat een principaal-agent probleem tot transactiekosten leidt.
  • Ik kan uitleggen dat er bij principaal-agent risico is op averechtse selectie en moral hazard.
  • Ik kan uitleggen hoe er bij een principaal-agent contracten en prikkels worden ingezet.
  • Ik kan uitleggen dat een berovingsprobleem ontstaat vanuit verschuivende machtsverhoudingen als een van beide partijen verzonken kosten heeft gemaakt.
  • Ik kan de noodzaak verklaren van toezicht en inspecties door de overheid.






















































Slide 31 - Tekstslide

Nationalisering
  • 1938 oprichting NS: Nationalisering
  • 1839 eerste trein in Nederland
  • de spoormaatschappijen komen in handen van de overheid (+ post, telefonie, water, gas en elektra)
  • natuurlijke monopolies met hoge verzonken kosten (specifieke investeringen, niet op een andere manier terug te verdienen)
  • voordeel: lagere prijzen, overheid heeft geen winstdoel
  • nadeel: overheid is monopolie en heeft dus geen stimulans om te innoveren en de kwaliteit te verbeteren
  • in de jaren 90 wordt de NS verzelfstandigd, bedrijfs-beslissingen worden minder door de overheid bepaald

Slide 32 - Tekstslide

Privatisering en Liberalisering
In eerste instantie was het doel privatisering: het eigendom van het bedrijf gaat van de overheid naar het bedrijfsleven. Daar is stimulans om te innoveren om te kunnen concurreren, want het doel is winst. Niet gebeurd, overheid behoudt wel zeggenschap.

Wel liberalisering van het spoor: barrières worden weggehaald, zodat concurrentie mogelijk wordt. De infrastructuur van de spoorwegen valt niet meer onder NS maar onder ProRail, een staatsbedrijf verantwoordelijk voor aanleg en onderhoud rails. NS houdt zich enkel nog bezig met vervoer.

Slide 33 - Tekstslide

Publieke sector (overheid)
Door de reorganisatie van de publieke sector is het maken van beleid losgemaakt van de uitvoering van dat beleid.
  • ministeries maken beleid
  • verzelfstandigde organisaties of volledig private bedrijven voeren het beleid uit
  • is de uitvoering naar wens?, de overheid houdt toezicht, wat leidt tot transactiekosten

Hier doen zich 2 problemen voor:
  • principaal-agentprobleem
  • berovingsprobleem

Slide 34 - Tekstslide

Principaal-agentprobleem
In een principaal-agent relatie ‘huurt’ de principaal een agent in om voor hem een taak uit te voeren. Er is een gezamenlijk, maar ook een eigen tegengesteld belang.

Er is pas sprake van een probleem bij een principaal-agent
relatie als er sprake is van:
 1. tegengestelde belangen
 2. asymmetrische informatie

Oplossing:
  • zorg dat agent en principaal hetzelfde belang krijgt
  • verminder de asymmetrische informatie (dat genereert wel transactiekosten!)

Slide 35 - Tekstslide

Principaal-agent relatie

Slide 36 - Tekstslide

Berovingsprobleem

Voorbeeld: Een aannemer die voor de overheid een weg aanlegt, en een goedkoper asfalt gebruikt (moral hazard). De aannemer is gekozen omdat deze een lage prijs bood voor de klus (averechtse selectie). De kosten voor het aanleggen van de weg blijken achteraf hoger te zijn (berovingsprobleem).

Door verzonken kosten na het afsluiten van het contract veranderen de machtsverhoudingen tussen de contractpartijen. De overheid zal het project niet meer zo snel afblazen, omdat ze anders de al gemaakte verzonken kosten van het project niet meer terugverdienen (“de overheid betaalt toch wel”).


Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Video

Toezicht overheid
De overheid wil concurrentie waarborgen, want veel concurrentie (volkomen concurrentie) heeft zijn voordelen.
  • kartels zijn verboden
  • regels voor fusies en overnames
  • ACM houdt toezicht (Autoriteit Consument en Markt)
  • AFM houdt toezicht (Autoriteit Financiële Markten)
  • ECN mededingingsbeleid (European Competition Network)

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Maakwerk deze week
  • wat: opdracht 3.9 (verzelfstandiging), 3,13 (principaal-agent) en 3.14 (berovingsprobleem)
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met paragraaf 3.9 t/m 3.19

Slide 41 - Tekstslide

Opdracht 3.9bc

Slide 42 - Tekstslide

Opdracht 3.9d

Slide 43 - Tekstslide

Opdracht 3.13 en 3.14

Slide 44 - Tekstslide