This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Nederlands
Slide 1 - Slide
Programma
Dagopening
10 minuten lezen
H36 intro en opdrachten maken
Oefenen woordsoorten
Afsluiting en vooruitblik
Slide 2 - Slide
10 minuten lezen
Slide 3 - Slide
Doel van de les
Herhalen woordsoorten benoemen.
Nieuw: bijwoord en voorzetsel
Slide 4 - Slide
Welke zinsdelen ken je?
Slide 5 - Mind map
In welke volgorde moet je zinsdelen verdelen en benoemen?
A
ow - pv - zinsdelen - wwg - lv - bwb - mv
B
pv - wwg - zinsdelen - ow - bwb - lv - mv
C
zinsdelen - ow - pv - wwg - lv - mv - bwb
D
pv - zinsdelen - wwg - ow - lv - mv - bwb
Slide 6 - Quiz
Benoem alle zinsdelen.
Vorig schooljaar / heeft / Sanne / de lesstof
/ nog / aan Joris / uitgelegd.
pv - wg
ow
wgg
lv
mv
bwb
Slide 7 - Drag question
Benoem de zinsdelen
PV =
WWG
OW =
LV =
Is
mijn broer
zijn scooter
verloren?
Slide 8 - Drag question
Sleep de kaartjes met zinsdelen naar het juiste zinsdeel.
Heeft
Bas
de meeste records
verbroken
op de sportdag?
ow
pv/wg
wg
lv
BWB
Slide 9 - Drag question
Sleep de blauwe zinsdelen naar de juiste plek.
Let op: soms staan er twee zinsdelen in één vak.
WWG
OW
BWB
Hij
had
de moed
al
opgegeven.
Slide 10 - Drag question
Piet en Jan/hebben/pindakaas/ gekocht.
Onderwerp
Persoonsvorm
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Dit zinsdeel geeft aan wie of wat iets doet.
Dit zinsdeel overkomt of ondergaat iets.
Dit zinsdeel vertelt wat het onderwerp in een zin doet.
Dit zinsdeel verandert mee als je de zin van tijd verandert.
Slide 11 - Drag question
Lees de zin hieronder.
De zin is al voor je verdeeld in zinsdelen.
Sleep de namen van de zinsdelen naar het juiste zinsdeel. Let op! Er blijven namen van zinsdelen over.
Aan de boom | hangt | een enorme baviaan.
bwb
ow
lv
wg
mv
Slide 12 - Drag question
Lees de zin hieronder.
De zin is al voor je verdeeld in zinsdelen.
Sleep de namen van de zinsdelen naar het juiste zinsdeel. Let op! Er blijven namen van zinsdelen over.
Aan mijn oma | geeft | moeder | snel | haar nieuwe pedicuremachine.
bwb
ow
lv
wg
mv
Slide 13 - Drag question
Grammatica H36
Bijwoorden en voorzetsels
Slide 14 - Slide
Welke woordsoorten ken je?
Slide 15 - Mind map
Voorzetsels
Voorzetsels horen bij de woordsoorten
Slide 16 - Slide
Voorzetsel
Slide 17 - Mind map
Instructie - Bijwoord
Zo herken je een bijwoord:
Een bijwoord kan van alles aangeven, bijvoorbeeld: tijd, plaats, reden/oorzaak, onzekerheid en ontkenning
Een bijwoord kan iets zeggen over: - een hele zin - een werkwoord - een bijvoeglijk naamwoord - een ander bijwoord
Slide 18 - Slide
Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken.
znw
bnw
blw
zww
vz
olw
Aan
het
water
zat
een
slaperige
visser.
Slide 19 - Drag question
Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken.
znw
bnw
blw
zww
vz
Op
maandag
zit
Naomi
aan
de
kassa.
nieuwe
Slide 20 - Drag question
Bijwoord
Slide 21 - Mind map
Bij welke woordsoorten geeft een bijwoord extra informatie?
Slide 22 - Open question
Zoek het bijwoord:
Morgen geef ik een feestje.
A
morgen
B
geef
C
een
D
feestje
Slide 23 - Quiz
Zoek het bijwoord:
A
Ik
B
altijd
C
heb
D
pech
Slide 24 - Quiz
Sleep de twee bijwoorden uit de zin.
bijwoord
Hij
krijgt
natuurlijk
altijd
de
schuld.
Slide 25 - Drag question
Wat zijn bijwoorden?
A
in, op, onder
B
gedurende, tijdens, te
C
heel, niet, snel
Slide 26 - Quiz
Woordsoortbenoeming
zww
olw
bnw
znw
vz
bw
Rens
collecteert
voor
een
goed
doel.
morgen
Slide 27 - Drag question
Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten?Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en sommige woorden benoem je niet.
znw
bnw
olw
hww
vz
blw
zww
bw
Twan
heeft
voor
zijn
verjaardagsgeld
een
nieuwe
fiets
gekocht.
rode
snel
Slide 28 - Drag question
Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten? Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken.
knappe
znw
bnw
blw
zww
bw
vz
De
dj
draait
op
het
festival
morgen
Slide 29 - Drag question
Ik vind het benoemen van de zinsdelen:
A
Makkelijk
B
Redelijk makkelijk
C
Redelijk moeilijk
D
Heel moeilijk
Slide 30 - Quiz
Ik vind het benoemen van de woordsoorten
A
Makkelijk
B
Redelijk makkelijk
C
Redelijk moeilijk
D
Moeilijk
Slide 31 - Quiz
Oefenen
Maak opdr 1 en opdr 3 op blz 146 en 147 in je schrift. Je mag zachtjes overleggen met je buur. Als je klaar bent, ga je nog even lezen in je leesboek
Slide 32 - Slide
Oefenen
Vind je zinsdelen nog moeilijk: oefen dan met de drillsters van H21 en H22
Vind je het benoemen van de woordsoorten nog lastig: oefen dan met de drillsters van H6 en 36