Theorie PTA-videografie 1

Theorie PTA-
v ideografie 1
1 / 30
next
Slide 1: Slide
MVIMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slide and 8 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Theorie PTA-
v ideografie 1

Slide 1 - Slide

Wat beschrijft een genre?
A
De regisseur van de film
B
De acteurs in de film
C
Soort verhaal dat wordt verteld
D
Thema en stijl van een film

Slide 2 - Quiz

Tot welk genre behoort
de film 'The Godfather'?
A
Misdaad
B
Sport
C
Drama
D
Fantasy

Slide 3 - Quiz

Tot welk genre binnen
de film behoort
' The Matrix' ?
A
Actie
B
Drama
C
Sciencefiction
D
Romantiek

Slide 4 - Quiz

Een documentaire is gebaseerd op de werkelijheid, op wat waar gebeurd is.
A
Dit klopt een documentaire is op feiten gebaseerd
B
Dit klopt een documentaire is op fantasie gebaseerd
C
Dit klopt niet- een videoclip is ook een documentaire
D
Dit klopt niet - een documentaire is een soort speelfilm

Slide 5 - Quiz

1

Slide 6 - Video

00:00
waarom filmt de reporter grotendeels zittend?
A
Hij houdt van het kikkerperspectief.
B
Alle demonstranten 'zitten' te demonstreren.
C
De cameraman of - vrouw was tamelijk klein.
D
Het effect van zitten is beter.

Slide 7 - Quiz

Een 'camjo' is:
A
een camera journalist die zelfstandig een nieuwsvideo maakt
B
een vlogger die zichzelf filmt.
C
een cameraman of -vrouw die zorgt voor een scherp beeld .
D
een journalist die zelfstandig een nieuws maakt

Slide 8 - Quiz

non-fictie in de film betekent dat:
A
het gaat over een verzonnen verhaal.
B
het gaat over iets dat echt gebeurd is.
C
de film tot het sience- fiction genre behoort.
D
acteurs echte mensen spelen.

Slide 9 - Quiz

Het is lastig om een storyboard te tekenen voor een reportage omdat:
A
op de set alles al geregeld en uitgeschreven is.
B
de tekst, decor en locatie vast staan.
C
er allerlei onverwachte gebeurtenissen kunnen plaatsvinden.
D
acteurs niet alles ingestudeerd hebben

Slide 10 - Quiz

Een concept maken betekent:
A
onderzoek doen voor je film
B
brainstormen
C
een idee verzinnen; waarover gaat de film?!
D
genre bepalen; titel maken;

Slide 11 - Quiz

Een conceptvoorstel maken houdt in:
A
onderwerp, (tijdelijke)titel, genre bepalen
B
budget bepalen; hoeveel geld is er nodig
C
doelgroep bepalen
D
acteurs,cameraman en geluidman inhuren

Slide 12 - Quiz

Wat is een doelgroep in de film?
A
De beoogde kijkers van de film
B
De acteurs van de film
C
Het budget van de film
D
De regisseur van de film

Slide 13 - Quiz

uitsnede, camerastandpunt en camerabeweging vind je in:
A
script
B
concept
C
storyboard
D
moodboard

Slide 14 - Quiz

een script of screenplay wordt gebruikt door:
A
de cameraman (ziet zijn camerastandpunten)
B
geluidstechnicus ( weet wat hij moet opnemen)
C
de acteur ( oefent zijn teksten)
D
regiseur ( om aanwijzingen op de set te geven)

Slide 15 - Quiz

1

Slide 16 - Video

00:00
Wat gebeurt er bij de kijker door telkens een kikkerperspectief te kiezen?
A
het verhaal wordt spannend
B
De actie/dreiging wordt vergroot
C
de kijker voelt zich klein
D
de acteur wordt groot

Slide 17 - Quiz

Tarantino, de regiseur, kiest voor veel afwisseling en close-ups zodat:
A
de kijker dicht op de actie zit.
B
de spanning telkens toeneemt
C
de kijker het goed kan zien
D
de locatie duidelijk is

Slide 18 - Quiz

1

Slide 19 - Video

00:00
Naast objectieve cameravoering is er tussendoor sprake van een subjectieve cameravoering; welke?
A
establishingshot -de kamer waarin ze zijn
B
kikkerperspectief- uitleg over spuit.
C
rode punt en kloppen op de borst
D
close up van de naald

Slide 20 - Quiz

1

Slide 21 - Video

00:00
welk cameraperspectief zie je in minuut 0.34?
A
neutraal perspectief
B
middenperspectief
C
vogelperspectief
D
kikkerperspectief

Slide 22 - Quiz

1

Slide 23 - Video

00:00
welke lichtrichting zie je in minuut 0.55
A
tegenlicht
B
voorlicht
C
spotlight
D
zijlicht

Slide 24 - Quiz

1

Slide 25 - Video

00:00
Het bewegende licht in en rondom het ruimtestation zorgt er voor dat:
A
de kijker het spannend vindt
B
De kijker denkt dat het ruimteschip draait
C
de kijker duidelijk ziet wat er gebeurd
D
binnen en buiten zichtbaar wordt.

Slide 26 - Quiz

1

Slide 27 - Video

00:00
De film begint zo dat de kijker precies weet waar het zich afspeelt. Deze opname noemt men:
A
een totaal shot
B
een totaal overshoulder
C
een establishing shot
D
een drone shot

Slide 28 - Quiz

1

Slide 29 - Video

00:00
Wat doet een POV -of Point of View -shot
A
actie raakt je niet- je kijkt er naar.
B
je doet mee aan een actie
C
je kijkt door de ogen van iemand die meespeelt
D
je bent toeschouwer

Slide 30 - Quiz