Bespreking vwo examen 2023 tijdvak 1

Bespreking vwo examen 

BIOLOGIE
2023 tijdvak 1
1 / 52
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 52 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 180 min

Items in this lesson

Bespreking vwo examen 

BIOLOGIE
2023 tijdvak 1

Slide 1 - Slide

Hoe gebruik je deze presentatie?
1) Maak het vwo examen biologie 2023 tijdvak 1
2) Kijk de vragen kritisch na met deze presentatie.
3) Ga naar de website (link via laatste slide) van examencompas en scoor je antwoorden.
Zo kom je erachter welk cijfer je voor dit examen zou hebben gekregen en zie je een overzicht van welke onderwerpen je al goed beheerst en welke je nog kunt oefenen.

Slide 2 - Slide

Kleurcodes
Vragen staan in het blauw
Uitleg staat in het zwart
Antwoorden staan in het rood

Slide 3 - Slide

39 vragen 64 punten
Als bij een open vraag een verklaring, uitleg of berekening vereist is, worden aan het antwoord meestal geen punten toegekend als deze verklaring, uitleg of berekening ontbreekt.

Geef niet meer antwoorden (redenen, voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd. 
Als er bijvoorbeeld twee redenen worden gevraagd en je geeft meer dan twee
redenen, dan worden alleen de eerste twee in de beoordeling meegeteld.

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Vraag 1 (1p)
Ook op andere organisatieniveaus zijn als gevolg van training
veranderingen opgetreden die leiden tot een vergroting van de maximale
zuurstofopname uit de lucht.
Noteer zo’n verandering op orgaanniveau.  

  • Herformuleer de vraag
  • Noem een orgaan, waar een verandering is geweest, waardoor dit orgaan meer zuurstof kan opnemen uit de lucht.

Slide 6 - Slide

Is geen verandering van een orgaan......

Slide 7 - Slide

Vraag 2 (2p)
Door de training is ook het aantal haarvaten in Maartens skeletspieren toegenomen. Hierdoor kan in de skeletspieren meer aerobe dissimilatie plaatsvinden.
Leg dit uit aan de hand van de wet van Fick. 

Uit het antwoord moet blijken dat
• Δx / de diffusieafstand / de afstand tussen het bloed en de spiercellen, kleiner is 1
of
• A / het diffusieoppervlak, groter is 1
• (waardoor) de diffusiesnelheid van zuurstof groter wordt / de hoeveelheid zuurstof die (per tijdseenheid) diffundeert groter wordt (waardoor meer aerobe dissimilatie kan plaatsvinden)
BINAS 83A

Slide 8 - Slide

Vraag 3 (2p)
Type I-spiervezels zijn voor Maarten essentieel bij zijn zwemprestaties.
Kies twee eigenschappen van type I-spiervezels uit tabel 1 en licht voor elke eigenschap toe waardoor deze functioneel is voor Maarten bij zijn Elfstedentocht. 

  • aantal mitochondriën groot: veel aerobe dissimilatie mogelijk
  • veel mitochondriën zodat meer ATP kan worden geproduceerd
  • voorraad glycogeen groot: glycogeen kan worden omgezet in glucose
  • veel glycogeen dat als brandstofvoorraad dient
  • myoglobinegehalte hoog: bij heel lage zuurstofspanning komt extra zuurstof beschikbaar
  • een hoog myoglobinegehalte waardoor veel zuurstof in de spieren gebonden kan worden
  • dichtheid myofibrillen laag: een hoge dichtheid zou leiden tot een hoger gewicht van de spieren
  • weinig myofibrillen: minder ATP-verbruik per beweging

per eigenschap met juiste toelichting 1 

Dit is kennis!
Functioneel voor Maarten betekent: prestatieverhogend, dus groter uithoudingsvermogen (want type I vezels)!!
BINAS 90B

Slide 9 - Slide

Vraag 4 (2p): A
Tijdens de Elfstedentocht zwom Maarten op een rustig tempo om het risico op de ophoping van melkzuur in de spieren zo laag mogelijk te houden. Stofwisselingsprocessen waarbij ATP wordt gevormd zijn: 
1 glycolyse   /   2 citroenzuurcyclus   /    3 oxidatieve fosforylering

Van welke situatie is sprake bij ophoping van melkzuur in spiercellen?
A  Proces 1 vindt meer plaats dan 2 en 3.
B  Processen 1 en 2 vinden meer plaats dan 3.
C  Proces 2 vindt meer plaats dan 1 en 3.
D  Processen 2 en 3 vinden meer plaats dan 1.
E  Proces 3 vindt meer plaats dan 1 en 2.   


Melkzuur
= gevolg van gisting 
= anaerobe dissimilatie (dus zonder zuurstof).

Bij 2 en 3 is er sprake van aanwezigheid van zuurstof
Antwoord C, D en E zijn onmogelijk want er moet altijd voldoende pyrodruivenzuur zijn (product proces 1) om proces 2 en 3 te laten plaatsvinden
BINAS 68A

Slide 10 - Slide

Vraag 5 (2p) 
1 juist
2 onjuist
3 juist
indien drie nummers correct 2
indien twee nummers correct 1
indien minder dan twee nummers correct 0 
1.
Zetmeel in de mond (speekselklieren)
Vetten in 12-vingerige darm (alvleesklier)
2.
Bij zetmeel meer verschillende enzymen nodig: amylase en maltase. Bij vetten alleen lipase!
3. = kennis !
Klopt! via de lymfevaten.
BINAS 82E

Slide 11 - Slide

Vraag 6 (1p)
Voorafgaand aan zijn Elfstedentocht had Maarten een thermometerpil ingeslikt. Daardoor kreeg zijn coach continu informatie over Maartens kerntemperatuur. Als die onder de 35 °C zou komen, zou er sprake zijn van onderkoeling en zou Maarten moeten stoppen.
Verschillende processen, aangestuurd door het autonome en het animale zenuwstelsel, zorgden er tijdens het zwemmen voor dat Maartens lichaamstemperatuur niet te snel daalde.
Noteer zo’n proces dat direct aangestuurd wordt door het animale zenuwstelsel. 
Animale zenuwstelsel =
Al je bewuste bewegingen, gedrag en reacties.

Dus....antwoord = (Zwem)bewegingen of rillingen

Slide 12 - Slide

Vraag 7 (2p): A
BINAS 84G
P = slagader, Q= ader

Vorming weefselvloeistof = filtratie.

Er is afname weefselvloeistof dus afname filtratie.

Toename spierspanning = bloedvat trekt zich samen. 
Als P dit doet dan gaat er minder bloed het haarvatennetwerk in en neemt dáár de bloeddruk af waardoor er minder filtratie zal plaatsvinden.

Slide 13 - Slide

Want dan gaat het ei stuk.....
Wanneer de embryonale stamcellen worden aangepast, gaan de vogels eieren leggen met de juiste aanpassing!

Slide 14 - Slide

Vraag 8 (1p)
De Schotse onderzoekers kozen ervoor om PGC’s te modificeren, en niet het andere type embryonale stamcellen.
Licht toe waarom in dit onderzoek is gekozen voor embryonale stamcellen die zich kunnen ontwikkelen tot geslachtscellen. 



Uit het antwoord moet blijken dat (alleen) hiermee de (genetische) aanpassing aan een volgende generatie kan worden doorgegeven / dat hiermee genetisch gemodificeerd nageslacht kan ontstaan. 
Het gaat om het doorgeven van eigenschappen naar de volgende generatie! Als je dus niet de PGC's gebruikt, dan kunnen de vogels het niet doorgeven aan de volgende generatie!

Slide 15 - Slide

Vraag 9 (2p)
Een TALEN-eiwit bindt op dezelfde manier aan DNA als de
transcriptiefactor die bindt aan de TATA-box.
Over de binding van deze transcriptiefactor worden de volgende
uitspraken gedaan:
1   De transcriptiefactor bindt aan het DNA door middel van basenparing.
2   De transcriptiefactor bindt aan de promotor van een gen.
3   De transcriptiefactor bindt aan een stukje niet-coderend DNA.
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de
betreffende uitspraak juist of onjuist is. 
BINAS 71F
en kennis!
1. Transcriptiefactor = een eiwit!! Dus geen basenparing dus onjuist.
2. Zie BINAS 71F. JA, dus juist.
3. Je weet dat een promotor niet coderend DNA is: bevat alleen informatie voor startpunt transcriptie. En 2 was juist, dus 3 is ook juist.

2 correct geantwoord = 1pt

Slide 16 - Slide

Bij vogels gaat het dus adersom in vergelijking met zoogdieren:
vrouwtje = ZW geslachtschromosomen
mannetje = ZZ geslachtschromosomen

DDX4 ligt op Z-chromosoom
Als DDX4 is uitgeschakeld:
vrouwtje = ZW = onvruchtbaar
mannetje = ZZ = vruchtbaar

GFP = "glow-in-the-dark" daarmee kun je zien of er transcriptie/translatie heeft plaatsgevonden.
PU = eiwit dat resistentie geeft tegen gifstof puromycine.

Bij gemodificeerd DDX4-gen stopt de transcriptie bij PA, dus dan worden alleen exon E1 en E2 afgelezen (transcriptie/translatie).

X
X

Slide 17 - Slide

Vraag 10 (2p)
Over het gemodificeerde DDX4-gen worden de volgende uitspraken gedaan:
1   De transcriptie stopt na E4 (exon 4).
2   Exon 3 ontbreekt in het mRNA.
3   Er treedt geen splicing op van het pre-mRNA.
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer
erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is. 
1 onjuist
2 juist
3 onjuist

indien drie nummers correct 2
indien twee nummers correct 1
minder dan twee nummers correct 0 

Slide 18 - Slide

Vraag 11 (2p): B
GFP = "glow-in-the-dark" daarmee kun je zien of er transcriptie/translatie heeft plaatsgevonden.
PU = eiwit dat resistentie geeft tegen gifstof puromycine.
Als het dus gelukt is om genconstruct in te bouwen overleeft de PGC de gifstof in het voedingsmedium.
Een dubbele check dus ;-)

Slide 19 - Slide

Vraag 12 (1p) 
De onderzoekers concludeerden dat het
genconstruct op de juiste plaats was ingebouwd.
Licht toe hoe deze conclusie kan worden
getrokken aan de hand van de gel in afbeelding 7. 

Bedenk dat het DDX4 gen op het Z-chromosoom ligt!
Mannelijke cel: ZZ en vrouwelijke cel ZW

In de gemodificeerde PGC’s het fragment van 9,3 kb / het bovenste bandje aanwezig is.
Opmerking
Als de kandidaat antwoordt dat het betreffende fragment/bandje bij de mannetjes aanwezig is, het scorepunt toekennen. 

Slide 20 - Slide

Vraag 13 (2p)
De transgene hennetjes die ontstonden uit de kruising (afbeelding 5, stap 6) bleken geen eicellen te ontwikkelen en zijn dus onvruchtbaar. Hiermee werd aangetoond dat de methode werkt. De transgene haantjes die ontstonden uit deze kruising, kunnen worden gekruist met een wild-type hen om een volgende generatie onvruchtbare hennetjes te produceren.
Maak van deze laatste kruising een kruisingstabel. 

Gebruik daarbij Z– voor het Z-chromosoom
met het normale DDX4-gen,
en Z+ voor het Z-chromosoom met het
gemodificeerde DDX4-gen.
Omcirkel in de tabel het genotype
van de onvruchtbare hennetjes. 
vrouwtje = hen = ZW
mannetje = haan = ZZ

Slide 21 - Slide

Vraag 14 (2p): C
Een transgeen organisme is een organisme dat een vreemd gen, een transgen, afkomstig van een ander soort organisme in het erfelijk materiaal (DNA) draagt.

De PGC's (in het DDX4-gen) van de barnevelder moet je uitschakelen. Dit lukt door het genconstruct in te bouwen, dan schakel je het DDX4-gen uit. Dus de barnevelder is transgeen!
Daarna kunnen de PCG's van de Rumpless Game kunnen worden toegevoegd. Die moeten dus nog wel gewoon werken. Dus de R.G. is niet-transgeen!

Slide 22 - Slide

Vraag 15 (1p)
De onderzoekers willen PGC’s van zeldzame kippenrassen opslaan als een ‘frozen aviary’ (bevroren volière), die is te vergelijken met de zaadbanken van plantenrassen.
Beschrijf wat het belang kan zijn van deze frozen aviary. 
voorbeelden van een juist antwoord:
  • Zo hou je een grote variatie aan genotypen in stand.
  • Zo kan je voorkomen dat rassen uitsterven.
  • Zo kan je op verzoek extra nakomelingen van zeldzame kippenrassen verkrijgen.
Opmerking
Als de kandidaat het woord ‘soort’ gebruikt in plaats van ‘ras’, geenscorepunt toekennen. 
Inzicht! 
Bedenk waarom men bepaalde rassen "achter de hand" zou willen houden!

Slide 23 - Slide

Schrik niet van deze ingewikkelde afbeelding! Je hoeft het echt niet volledig te begrijpen.
Gliacellen zijn steuncellen. Ze ondersteunen het hersenweefsel. Ze zorgen voor stevigheid en structuur.
Hééé cAMP staat in BINAS!
Misschien kan ik daar iets mee....
BINAS 89B

Slide 24 - Slide

Vraag 16 (2p)
Over de rol van de stoffen in de celcommunicatie in afbeelding 1 worden
de volgende uitspraken gedaan:
1    Activatie van IRAK en MyD88 zet een signaalcascade in gang.
2    Arachidonzuur is het substraat van cyclo-oxygenase.
3    PGE2 is een second messenger.
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de
betreffende uitspraak juist of onjuist is. 
  • In het bijschrift (2) staat dat "IRAK en MyD88 activeren een reeks enzymatische omzettingen", dus 1 = juist.
  • In het bijschrift (3) staat dat "Cyclo-oxygenase arachindonzuur omzet in PGE2, dus 2 = juist.
     -ase, dus een enzym. Enzym zet een substraat om in een product.
  • Een second messenger is een signaal molecuul IN de cel die reageert op een signaal afkomstig van een receptor. Maar PEG2 zit juist BUITEN de cel en is zelf diegene die bindt aan de receptor. Dus 3 = onjuist.
    cAMP is juist de second messeneger.

1 fout = 1 punt


Slide 25 - Slide

Vraag 17 (2p) 
In de perioden a en b vinden processen plaats die de kerntemperatuur
beïnvloeden:
1   toename van de zweetproductie
2   verhoogde afgifte van schildklierhormoon
3   verwijding van de bloedvaten van de huid
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of het
betreffende proces bijdraagt aan de verandering van de kerntemperatuur
tijdens periode a of tijdens periode b. 
  • Je zweet voor afkoeling, dus temperatuurdaling van de kern, dus periode b.
  • Het schildklierhormoon, thyroxine: aanzetting tot stofwisseling (meer verbranding!), dus productie van warmte, dus temperatuurstijging van de kern, dus periode a.
  • Bij bloedvatverwijding raakt de huid warmte kwijt, heeft dus afkoeling als functie. Dus periode b.
1 fout = 1 punt


Dit is kennis!
BINAS 89A

Slide 26 - Slide

Vraag 18 (2p)
Enkele effecten van koorts zijn:
1     toename van de differentiatie van cytotoxische T-cellen
2    verhoging van de activiteit van fagocyten
3    verhoging van de activiteit van natural-killercellen (NK-cellen)
4    verhoging van de productie van antistoffen

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter of het
betreffende effect onderdeel is van het aangeboren (aspecifieke)
afweersysteem of van het verworven (specifieke) afweersysteem. 
BINAS 84J3
1   verworven / specifieke
2   aangeboren / aspecifieke
3   aangeboren / aspecifieke
4   verworven / specifieke

indien vier nummers correct 2
indien drie nummers correct 1
indien minder dan drie nummers correct 0 

Slide 27 - Slide

Vraag 19 (1p)
Langdurig hoge koorts is schadelijk voor het lichaam.
Verklaar hoe hoge koorts leidt tot celschade. 
Dit is kennis!
Denkstappen:

Cellen bestaan uit eiwitten en bevatten veel enzymen.
Eiwitten en enzymen denatureren bij een hoge temperatuur.
Wanneer eiwitten vervormen, levert dit celschade op.
voorbeelden van een juist antwoord:

  • De eiwitten denatureren.
  • Enzymen raken beschadigd.
  • Er ontstaan meer schadelijke zuurstofradicalen.
  • Membranen raken beschadigd.
  • Er is een afname van de eiwitsynthese.
  • Enzymen werken minder goed. 

Slide 28 - Slide

Vraag 20 (2p)
Goed de tekst lezen, het staat er allemaal letterlijk in! En je moet het plaatje snappen.
1 Pyrogenen verhogen koorts, dus +
2 Bij koorts wordt RBM3 in macrofagen verlaagd, dus  -
3 RBM3 remt de aanmaak van miRNA's, dus  -
4 Thermo miRNA's remmen de productie van pyrogenen, dus  -

1  stimulering / +
2  remming / −
3  remming / −
4  remming / −

1 fout = 1 punt 

Slide 29 - Slide

Vraag 21 (1p): B
De thermo-miRNA’s grijpen in op de productie van pyrogenen.
Op welk moment grijpen de thermo-miRNA’s in?
A    tussen transcriptie en splicing
B    tussen splicing en translatie
C    tussen translatie en eiwitvouwing 



Dit is kennis!
RNA-interferentie blokkeert de translatie van mRNA naar een eiwit: 
miRNA doet dit door aan mRNA te binden. 

Slide 30 - Slide

Vraag 22 (1p)
De maisstengelboorder komt oorspronkelijk
uit Zuid-Europa. Vanaf het begin van de twintigste
eeuw komt hij voor in Noord-Amerika, en sinds
2010 wordt hij ook in Nederlandse maisvelden
waargenomen. De maisstengelboorder wordt
in Noord-Amerika als exoot beschouwd, maar in
Nederland niet.
Geef een argument waarom de maisstengelboorder in
Nederland niet als exoot wordt beschouwd. 
Uit het antwoord moet blijken dat de maisstengelboorder op eigen kracht /door migratie / door klimaatverandering in Nederland is gekomen.
Opmerking
Als de kandidaat antwoordt dat de soort zich nog niet heeft gevestigd of dat de soort als dwaalgast aanwezig is, het scorepunt toekennen. 
Een (invasieve) exoot is een uitheems organisme (plant, dier of micro-organisme) dat Nederland niet op eigen kracht kan bereiken, maar door menselijk handelen terecht is gekomen in de Nederlandse natuur.  Wanneer deze soort zich vestigt en explosief toeneemt, dan wordt gesproken over een invasieve exoot.  
Dit is kennis!

Slide 31 - Slide

Vraag 23 (1p)
De vraat van de maisstengelboorder leidt ertoe dat de schimmel Fusarium graminearum gemakkelijk maisplanten kan infecteren. De schimmelinfectie heeft tot gevolg dat de maiskolven zich niet volledig ontwikkelen. Bovendien kunnen maisstengelboorders zich sneller
ontwikkelen in maisplanten die geïnfecteerd zijn met F. graminearum
Noteer welk type afweer door de maisstengelboorder wordt verminderd. 
fysische/mechanische (afweer)

Opmerking
Als de kandidaat aspecifieke of aangeboren (afweer) noteert, het scorepunt toekennen. 
Dit is kennis!

Slide 32 - Slide

Vraag 24 (1p)
Noteer de naam van de vorm van symbiose tussen de maisstengelboorder en F. graminearum. 
Wederzijds voordeel!

dus mutualisme

Slide 33 - Slide

Vraag 25 (2p)
Daar is de rekenvraag ;-)
voorbeelden van een juiste berekening:

opbrengst mais per ha 44,6 × 354 / 1000 = 15,8 ton
opbrengst sorghum C7 per ha: 62,5 × 341 / 1000 = 21,3 ton. Verschil=  5,5 ton droge stof
of
(62500 × 341 / 1000) - (44600 × 354 / 1000) = 5524 kg
(verschil in droge stof)

• voor de juiste gegevens van mais en sorghum C7 geselecteerd 1
• voor een juiste berekening (op basis van de geselecteerde gegevens) met de bijbehorende uitkomst 1

Opmerking
Als de kandidaat antwoordt dat sorghum C7 1,35 keer zoveel of 35 % meer droge-stof-productie heeft in plaats van het verschil te benoemen, dit niet fout rekenen. 

Slide 34 - Slide

Vraag 26 (2p): B 
BINAS 93A2
Geresorbeerd = opname door dunne darm en komt in bloed terecht

Sorghum C7: VCOS = 73,8% = opname in bloed.
Dus 100-73,8 = 26,2% wordt uitgepoept
(komt niet in het bloed).
Dus je moet op zoek gaan naar een stroomschema waarbij de F 26,2% van de I is.
I bestaat uit 10 streepjes, dus F moet iets minder dan 3 streepjes zijn. Dus antwoord B

Antwoord C lijkt erop, maar daar is de productie (het groeien van de koe) vele malen groter dan de dissimilatie en dat kan niet!

Slide 35 - Slide

Vraag 27 (1p)
De omzetting door methaanbacteriën leidt ertoe
dat de rundveeteelt een sterke bijdrage levert aan
klimaatverandering.
Verklaar hoe methaan bijdraagt aan klimaatverandering. 
Dit is kennis!
Uit het antwoord moet blijken dat
methaan een broeikasgas is / dat methaan in de atmosfeer zorgt voor reflectie van warmte(straling) naar de aarde.

Opmerking
Als de kandidaat antwoordt dat methaan wordt omgezet in CO2,
het scorepunt niet toekennen. 

Slide 36 - Slide

Vraag 28 (1p)
Mogelijk zou het gebruik van sorghum als veevoer in plaats van mais,
kunnen leiden tot een verlaging van de uitstoot van methaan door runderen.
Verklaar hoe gebruik van sorghum als veevoer kan leiden tot vermindering
van de uitstoot van methaan door een rund. 
Uit het antwoord moet blijken dat,
(doordat sorghum relatief meer eiwit bevat) het dier minder voer hoeft te krijgen / er minder koolhydraten gegeten worden die kunnen worden omgezet in methaan (waardoor de methaanuitstoot afneemt). 
Hiervoor heb je de tabel nodig en het schema eronder.
In het schema zie je dat de koolhydraten worden omgezet in methaan.
En Sorghum bestaat uit meer eiwit dan mais. Dus Sorghum bevat minder koolhydraten dan mais, en dan wordt er dus minder methaan geproduceerd.

Slide 37 - Slide

Vraag 29 (2p)
BINAS 88F 
1 drempelpotentiaal wordt nooit verlaagd, is altijd -50mV dus 1 = onjuist
2 Net als acetylcholine veroorzaakt epibatidine het openen van Na+-kanaaltjes, zie BINAS 88F, dat leidt tot depolarisatie, dus 2 = juist
3 Epibatidine bindt, net als acetylcholine, aan de acetylcholine-receptoren, dus dan is het geen antagonist, dus 3 = onjuist
1 fout = 1 punt

Slide 38 - Slide

Vraag 30 (1p)
In vergelijking met binding van acetylcholine blijven bij binding van epibatidine de
Na+-kanaaltjes in de synaps veel langer openstaan, zelfs bij zeer lage concentraties. 
Geef een mogelijke verklaring waardoor de Na+-kanaaltjes langer open
blijven staan in aanwezigheid van epibatidine. 
voorbeelden van een juist antwoord:

  • Epibatidine bindt sterker aan de receptor.
  • Epibatidine blijft langer aan de receptor gebonden.
  • Er is geen enzym dat epibatidine afbreekt.
  • Er is geen transportenzym dat epibatidine afvoert. 
Dit is inzicht!

Slide 39 - Slide

Vraag 31 (2p): A
Tarvin beweert dat sommige veranderingen van de receptor
door convergente evolutie zijn ontstaan. Dit wil zeggen dat
dezelfde adaptaties onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan.
Bij welke aminozuurveranderingen (afbeelding 2) is er
waarschijnlijk sprake geweest van convergente evolutie?
A     S → C in Dendrobates sylvaticus en Ameerega parvula
B     A → V in Ameerega parvula en Ameerega bilinguis
C     Y → H in Epipedobates tricolor en Dendrobates sylvaticus 
De gemeenschappelijke voorouder van D.sylvaticus en A.parvula ligt kwa tijd een stuk terug. De soorten D.captivus en C.fugax zijn later ontstaan en hebben geen C en dezelfde voorouder, dus A lijkt goed. A.parvula en A.bilinguis hebben een directe gemeenschappelijke voorouder en beide dezelfde mutaties. Lijkt op divergente evolutie. Dus antwoord B valt af.
Alle pijlgifkikkers hebben H ipv Y en alle pijlgifkikkers hebben samen dezelfde gemeenschappelijke voorouder. Hun voorouder had die H mutatie dus al. Dat is divergente evolutie. Dus C is ook fout.

Slide 40 - Slide

Vraag 32 (2p)
FCAI-variant: 
de Y wordt een H, dys tyrosine wordt histidine: UAU/C wordt CAU/C
 en de S wordt een C, dus serine wordt cysteïne: AGU/C wordt UGU/C

Minimaal twee nucleotiden moeten worden veranderd.
BINAS 71G 
Opmerking
Het scorepunt voor de tweede deelvraag alleen toekennen als het gegeven antwoord past bij het antwoord op de eerste deelvraag. 
Dit is toepassen!

Slide 41 - Slide

Vraag 33 (2p)
Over de resultaten die zijn weergegeven in de diagrammen
van afb. 3 worden de volgende uitspraken gedaan:
1 Bij cellen met een humane receptor is de respons op acetylcholine
   sterker dan die op een gelijke concentratie epibatidine.
2 De humane receptor is gevoeliger voor epibatidine dan de
   FCAIvariant en de LCAI-variant.
3 De FCAI-mutatie vermindert de gevoeligheid voor acetylcholine.
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de
betreffende uitspraak juist of onjuist is. 
1   Let op! de indeling van de x-assen is niet gelijk. Ga bv de concentratie van 1 uM vergelijken. 
     Dus het is juist andersom. Respons op epibatidine is groter, dus 1 = onjuist.
2   Bekijk rechtergrafiek: humane respons is overal hoger, dus 2 = juist.
3   Bekijk linkergrafiek: daar lijkt het wel op; lijn FCAI ligt lager dan LCAI, dus 3 = juist
1 fout = 1 punt

Slide 42 - Slide

Vraag 34 (2p): D
Houtvaten vervoeren water en anorganische stoffen omhoog. Bastvaten vervoeren organische stoffen en assimilatieproducten (voornamelijk omlaag). 
Dus C of D

Vorming organische stof is assimilatie, maar koolstofassimilatie is fotosynthese. Dat is hier niet aan de hand. Voortgezette assimilatie is van organische grotere organische stoffen maken of gebruik maken van de energie van glucose om andere organische stoffen te maken. 
Dus antwoord D
Dit is kennis!

Slide 43 - Slide

Vraag 35 (1p)
Fosfor is onderdeel van verschillende organische stoffen die deel uitmaken van de lichtreactie en de donkerreactie in chloroplasten.
Noteer de twee fosforhoudende stoffen die ontstaan bij de lichtreactie én worden gebruikt in de donkerreactie. 
BINAS 69A (-B-C)
ATP en NADPH

Opmerking
Als de kandidaat NADPH2 of NADPH,H+ noteert in plaats van NADPH, dit niet fout rekenen. 

Slide 44 - Slide

Vraag 36 (2p)
Uit het antwoord moet blijken dat
door de geïmporteerde soja / door het geïmporteerde varkensvoer in Nederland een toename ontstaat aan (organische) fosfor (verbindingen) 1

• (door gebruik in de landbouw) fosfaat/fosforverbindingen uit de urine/mest/uitwerpselen van de varkens kan/kunnen uitspoelen (naar het oppervlaktewater) 1

Opmerking
Als de kandidaat alleen antwoordt dat fosfor via menselijke consumptie en het riool in het oppervlaktewater terechtkomt, het 2e scorepunt niet
toekennen. 

Slide 45 - Slide

Vraag 37 (1p)
Noteer een mogelijke oorzaak waardoor er toch een afname van
de benodigde fosfaatbemesting kan zijn ondanks de
toenemende fosfaatopname. 
voorbeelden van een juist antwoord:

  • De fosfaatbemesting wordt efficiënter (bijvoorbeeld door het tijdstip van bemesting beter af te stemmen op de groeiperiode van het gewas).
  • De bodem is verrijkt met fosfaat (door fosfaatbemesting in het verleden).
  • Door veredeling zijn planten beter in staat het beschikbare fosfaat uit de bodem op te nemen.
  • Er is een afname van de uitspoeling van fosfaat.
  • Er worden meer gewasresten op de akker achtergelaten. 
Dit is inzicht!

Slide 46 - Slide

Vraag 38 (2p): B
Het toegediende fosfaat kan in het oppervlaktewater terechtkomen en bijdragen aan algenbloei.
Hierover worden de volgende uitspraken gedaan:
1   Fosfaat draagt alleen bij aan algenbloei als de fosfaatconcentratie in het oppervlaktewater een beperkende factor voor de
     groei van algen is.
2  Algenbloei treedt op als de maximumtolerantiegrens van algen voor fosfaat wordt overschreden.

Welk van deze uitspraken is juist?
A   geen van beide
B   alleen 1
C   alleen 2
D   zowel 1 als 2 
Uitspraak 1 is juist:
Beperkende factor kan de algengroei beïnvloeden. Meer beperkende factor betekent dan meer groei. Of te weinig beperkende factor, dan geen groei.

Uitspraak 2 is onjuist,
als de maximumtolerantiegrens van algen voor fosfaat wordt overschreden gaan algen juist dood.

Slide 47 - Slide

Vraag 39 (3p)
Cito is jullie goed gezind door specifiek aan te geven waar het werkplan aan moet voldoen :-)

Dat is bijzonder. Meestal staat er :
stel een werkplan op.

Slide 48 - Slide

Regels voor het maken van een werkplan:
  • Bepaal de afhankelijke variabele, dus wat moet er gemeten worden (y-as)?
  • Verander slechts 1 variabele, de onafhankelijke variabele (x-as).
  • Maak 1 of meerder experimentele groepen plus een (negatieve) controlegroep. Beschrijf de verschillende groepen.
  • Vergelijk de experimentele groep met de controlegroep.
  • Herhaal alle metingen (2-3 keer)
  • Alle overige omstandigheden blijven gelijk. Soms moet je die in detail beschrijven voor de onderzoeksgroepen.
  • Vergelijk de resultaten (van de experimentele groepen en trek een conclusie (of geef terugkoppeling aan de hypothese)

Slide 49 - Slide

Vraag 39 (3p)
In de proefopzet worden de volgende aspecten omschreven:
Alle vijvers krijgen evenveel fosfaat toegediend / krijgen een gelijke concentratie fosfaat (en alle overige omstandigheden zijn gelijk) 1
• Er zijn vijvers met en vijvers zonder waterplanten / De vijvers verschillen in hoeveelheid (aangeplante) waterplanten 1
In het water van elke vijver wordt (vooraf en) aan het eind van het experiment / regelmatig de concentratie (beschikbaar) fosfaat (in het water) gemeten 1

Opmerking
Als de kandidaat alleen een meting van het fosfaatgehalte van de planten noemt, het derde scorepunt niet toekennen. 

Slide 50 - Slide

Vul je scores in via bovenstaande website.

Slide 51 - Slide

64pt totaal en N-term was N=1,0
cijfer = (pt/64)x9+1
Mijn cijfer is lager dan 5,5
Mijn cijfer ligt tussen 5,5 en 6,0
Mijn cijfer ligt tussen 6,0 en 6,5
Mijn cijfer ligt tussen 6,5 en 7,0
Mijn cijfer ligt boven de 7,0 !

Slide 52 - Poll