6.5 & 6.6 aanpassingen bij dieren & planten

6.5 en 6.6 
Aanpassingen bij dieren
& planten
1 / 25
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 2

This lesson contains 25 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

6.5 en 6.6 
Aanpassingen bij dieren
& planten

Slide 1 - Slide

Leerdoelen 6.4 en 6.5
Je kunt uitleggen waarom dieren en planten aanpassingen hebben.

Je kunt voorbeelden geven van aanpassingen bij dieren en planten en die uitleggen aan de hand van de omgeving/het milieu waarin ze leven.

Slide 2 - Slide

6.4    Aanpassingen dieren
Waarin zijn dieren in hun bouw aangepast aan hun leefomgeving om te overleven en nakomelingen te krijgen?
- voortbewegen
- voeden
- ademhalen
- voortplanten
- enz enz....

Slide 3 - Slide

Belangrijk!
Het gaat er bij aanpassingen van planten en dieren om dat 
vorm en functie samenhangen

Slide 4 - Slide

waterdieren
Vissen en andere waterdieren hebben aanpassingen ondergaan om beter door het water te kunnen leven en bewegen. 

Gestroomlijnd: weerstand is klein
- Kieuwen: 02 uit water halen
- Schubben met slijmlaag

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Landdieren
- meestal niet gestroomlijnd (waterdieren wel)
- Zo gebouwd dat ze hun eigen gewicht kunnen dragen.

Slide 7 - Slide

Landdieren
- Niet gestroomlijnd

Slide 8 - Slide

Aanpassingen poten zoogdieren
- Zoolgangers
- Teengangers
- Topgangers / hoefgangers

Slide 9 - Slide

Zoolgangers
Bijvoorbeeld: een beer


Gewicht verdelen over zool -->
zakt niet weg in zachte ondergrond

Slide 10 - Slide

Teenganger
Bijvoorbeeld: een leeuw
- Vlug op de poten!
- Kunnen sluipen.

Slide 11 - Slide

Topganger (met hoef)
Bijvoorbeeld: een paard
Aanpassing aan harde steenachtige ondergronden

Slide 12 - Slide

Poten van vogels

Slide 13 - Slide

Functie verschillende soorten snavels
Nummers komen overeen met afbeelding

1. een snavel voor zaden/nootjes
2. een snavel voor insecten
3. een snavel voor vlees
4. een snavel voor bodemdieren
5. een snavel voor waterbeestjes


Slide 14 - Slide

Aanpassingen van planten
- Manier van bestuiving (voortplanting)
- Aanpassingen aan hoeveelheid beschikbaar licht
- Aanpassingen aan de hoeveelheid beschikbaar water

Slide 15 - Slide

Aanpassingen van zaden/vruchten voor de manier van verspreiding

Slide 16 - Slide

Aanpassingen aan de droogte
Planten kunnen ook aanpassingen hebben om uitdroging tegen te gaan.





Weinig verdamping mogelijk want kleine bladeren met harslaagje
veel verdamping mogelijk
Aanpassing om in korte tijd veel water te kunnen opnemen als het een keer regent 
Het is nat genoeg, geen groot wortelstelsel nodig

Slide 17 - Slide

Aanpassingen aan licht

Slide 18 - Slide

Aanpassing aan licht
zonplanten - groeien bij veel licht
schaduwplanten - groeien bij 
weinig licht




Slide 19 - Slide

Zonplanten vs schaduwplanten
Zonplanten (noemen we ook lichtplanten):
  • Groeien het beste bij veel licht, dus in een open veld 
  • Droge, zonnige gebieden
  • Dikke kleine bladeren, sterke wortels, diep in de grond.
  • Bijvoorbeeld: Zonnebloem, Lavendel, Tijm.

Schaduwplanten:
  • Groeien het beste bij weinig licht, in bossen, schaduwrijke plekken.
  • Oppervlakkige wortels, dunne grote bladeren.
  • Voorjaarsbloeiers (= schaduwplanten die vroeg bloeien) 
  • bijvoorbeeld: Varen, Mos, Madeliefje

Slide 20 - Slide

Vleesetende planten
Leven op zeer arme grond.
--> halen voedingsstoffen (zoals nitraat) uit insecten.

Zie volgende filmpje...

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Deze lesson-up eindigt niet met quizvragen, omdat je na het maken van de opdrachten in je werkboek kan gaan oefenen met Quizlet.


Ga nu aan de slag met de superman pagina.

Slide 23 - Slide

    Uitlegvideo's   

Slide 24 - Slide

Aan de slag!
Thema 6, t/m b6
Alle opdrachten behalve de plus-opdrachten.

Strijders
Plus-opdrachten / Samenhang

Klaar?
- Herhaal de stof voor het SE aan de hand van deze Quizlet: klik hier


Slide 25 - Slide