examentraining begin quiz SE3

Examentraining 
Voorkennis activeren H1, H3, H4, H9.1
1 / 29
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Examentraining 
Voorkennis activeren H1, H3, H4, H9.1

Slide 1 - Slide

Wie van de vier rijken heeft geen celwand?
A
Planten
B
Schimmels
C
Bacteriën
D
Dieren

Slide 2 - Quiz

Wat is GEEN levenskenmerk?
A
Ademhalen
B
Slapen
C
Groeien
D
Voortplanten

Slide 3 - Quiz

Wat is een levenskenmerk?
A
Praten
B
Verliefd zijn
C
Ademhalen
D
uit eten gaan

Slide 4 - Quiz

Delen van de kamperfoelie-bloemen zijn: eicel, meeldraad, stamper en stuifmeelkorrel.
Hoe heet het vrouwelijke voortplantingsorgaan van de kamperfoelie? En de vrouwelijke voortplantingscel?
A
1 = stamper, 2 = eicel
B
1 = stamper, 2 = stuifmeelkorrel
C
1 = meeldraad, 2 = eicel
D
1 = meeldraad / 2 = stuifmeelkorrel

Slide 5 - Quiz

De schimmel die de iepenziekte veroorzaakt, verspreidt zich via de houtvaten steeds verder in de boom. De houtvaten raken verstopt en binnen een jaar sterft de boom.

Wordt door het verstoppen van de houtvaten het transport van water geremd?
En wordt het transport van mineralen geremd?
A
Het transport van water en mineralen wordt niet geremd
B
Alleen transport van water wordt geremd
C
Alleen transport van mineralen wordt geremd
D
Transport van water en mineralen wordt geremd

Slide 6 - Quiz

Door gangen te boren in de stengel van een maïsplant verstoren de rupsen het vervoer van water, mineralen en suikers.

Verstoort de Europese maïsboorder (rups) het vervoer in de bastvaten? En in de houtvaten?
A
Alleen in bastvaten
B
Alleen in houtvaten
C
Zowel in bastvaten als in houtvaten

Slide 7 - Quiz

Welke zenuwcel is nu welke?
Bewegins-
zenuwcel
Schakelcel
Gevoels-
zenuwcel

Slide 8 - Drag question

Hoe heet onderdeel 1?
A
Grote hersenen
B
Kleine hersenen
C
Hersenstam

Slide 9 - Quiz

Welk deel van de hersenen zorgt voor het coördineren van bewegingen?
A
Kleine hersenen
B
Grote hersenen
C
hersenstam
D
hypofyse

Slide 10 - Quiz

Je krijgt stof in je oog en begint te knipperen met je oogleden. Dit is een ...
A
Reflex
B
Bewuste reactie

Slide 11 - Quiz

Iemand roept je naam op het schoolplein en je roept vervolgens zijn naam.
A
Reflex
B
Bewuste reactie

Slide 12 - Quiz

Nr. 2 (bij de keel)
Hormoonklier

A
hypofyse
B
eierstok
C
bijnier
D
schildklier

Slide 13 - Quiz

Welke hormonen horen bij welke hormoon klier?
Groeihormoon
Schildklierhormoon
Adrenaline
Insuline
Glucagon
Testosteron
Oestrogeen

Slide 14 - Drag question

Welke invloed heeft insuline op het glucosegehalte van het bloed?
A
door insuline daalt het glucosegehalte in het bloed
B
door insuline stijgt het glucosegehalte in het bloed

Slide 15 - Quiz

Welk hormoon veroorzaakt de verandering van glucosegehalte tussen t1 en t2?
A
Insuline
B
Glucagon
C
Glycogeen
D
Adrenaline

Slide 16 - Quiz

Verbranding:
koolstofdioxide
water
energie
glucose
zuurstof

Slide 17 - Drag question

In welke organismen vindt verbranding plaats?
A
Alleen in planten
B
Alleen in dieren
C
In planten en dieren
D
Niet in planten en niet in dieren

Slide 18 - Quiz

per schakel neemt de energie in de voedselketen
A
toe
B
af

Slide 19 - Quiz

Hoe noem je dit?
A
voedselketen
B
voedselweb
C
ecosysteem

Slide 20 - Quiz

Op welk plaatje zie je een voedselketen?
A
B
C

Slide 21 - Quiz

Deze voedselketen bestaat uit..........
schakels
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 22 - Quiz

Fotosynthese
Zonlicht
Koolstofdioxide
Glucose
Zuurstof
Water

Slide 23 - Drag question

Waarom is fotosynthese zo belangrijk voor andere organismen?
A
Door de fotosynthese wordt zuurstof verbruikt.
B
Door de fotosynthese komt er nieuwe energie vrij.
C
Door de fotosynthese komt er telkens nieuw voedsel op aarde.

Slide 24 - Quiz

Een ander woord voor producent is
A
dier
B
plant
C
bacterie
D
schimmel

Slide 25 - Quiz

Bacterien en schimmels zijn
A
producenten
B
consumenten
C
reducenten

Slide 26 - Quiz

Mensen zijn
A
producenten
B
consumenten
C
reducenten

Slide 27 - Quiz

Maak een voedselketen, door de organisme naar de juiste plaats te slepen.
1     --> 
2       -->
3       -->
4
kikker
Algen
Waterslak
blauwe reiger

Slide 28 - Drag question

Een juiste voedselketen is:
A
konijn-> havik-> vos
B
muis->slang-> uil
C
gras->konijn-> havik-> vos
D
uil->slang->muis->gras

Slide 29 - Quiz