This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slide.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Examentraining
Voorkennis activeren H1, H3, H4, H9.1
Slide 1 - Slide
Delen van de kamperfoelie-bloemen zijn: eicel, meeldraad, stamper en stuifmeelkorrel. Hoe heet het vrouwelijke voortplantingsorgaan van de kamperfoelie? En de vrouwelijke voortplantingscel?
A
1 = stamper, 2 = eicel
B
1 = stamper, 2 = stuifmeelkorrel
C
1 = meeldraad, 2 = eicel
D
1 = meeldraad / 2 = stuifmeelkorrel
Slide 2 - Quiz
De schimmel die de iepenziekte veroorzaakt, verspreidt zich via de houtvaten steeds verder in de boom. De houtvaten raken verstopt en binnen een jaar sterft de boom.
Wordt door het verstoppen van de houtvaten het transport van water geremd? En wordt het transport van mineralen geremd?
A
Het transport van water en mineralen wordt niet geremd
B
Alleen transport van water wordt geremd
C
Alleen transport van mineralen wordt geremd
D
Transport van water en mineralen wordt geremd
Slide 3 - Quiz
Door gangen te boren in de stengel van een maïsplant verstoren de rupsen het vervoer van water, mineralen en suikers.
Verstoort de Europese maïsboorder het vervoer in de bastvaten? En in de houtvaten?
A
Alleen in bastvaten
B
Alleen in houtvaten
C
Zowel in bastvaten als in houtvaten
Slide 4 - Quiz
Welke zenuwcel is nu welke?
Bewegins-
zenuwcel
Schakelcel
Gevoels-
zenuwcel
Slide 5 - Drag question
Hoe heet onderdeel 1?
A
Grote hersenen
B
Kleine hersenen
C
Hersenstam
Slide 6 - Quiz
Welk deel van de hersenen zorgt voor het coördineren van bewegingen?
A
Kleine hersenen
B
Grote hersenen
C
hersenstam
D
hypofyse
Slide 7 - Quiz
Je krijgt stof in je oog en begint te knipperen met je oogleden
A
Reflex
B
Bewuste reactie
Slide 8 - Quiz
Iemand roept je naam op het schoolplein en je roept vervolgens zijn naam.
A
Reflex
B
Bewuste reactie
Slide 9 - Quiz
Nr. 2 (bij de keel) Hormoonklier
A
hypofyse
B
eierstok
C
bijnier
D
schildklier
Slide 10 - Quiz
Welke hormonen horen bij welke hormoon klier?
Groeihormoon
Schildklierhormoon
Adrenaline
Insuline
Glucagon
Testosteron
Oestrogeen
Slide 11 - Drag question
Welke invloed heeft insuline op het glucosegehalte van het bloed?
A
door insuline daalt het glucosegehalte in het bloed
B
door insuline stijgt het glucosegehalte in het bloed
Slide 12 - Quiz
Welk hormoon veroorzaakt de verandering van glucosegehalte tussen t1 en t2?
A
Insuline
B
Glucagon
C
Glycogeen
D
Adrenaline
Slide 13 - Quiz
Verbranding:
koolstofdioxide
water
energie
glucose
zuurstof
Slide 14 - Drag question
In welke organismen vindt verbranding plaats?
A
Alleen in planten
B
Alleen in dieren
C
In planten en dieren
D
Niet in planten en niet in dieren
Slide 15 - Quiz
Koolstofdioxide kunnen we aantonen met:
A
jood
B
kalkwater
C
erwten
D
vuur
Slide 16 - Quiz
per schakel neemt de energie in de voedselketen
A
toe
B
af
Slide 17 - Quiz
Hoe noem je dit?
A
voedselketen
B
voedselweb
C
ecosysteem
Slide 18 - Quiz
Op welk plaatje zie je een voedselketen?
A
B
C
Slide 19 - Quiz
Deze voedselketen bestaat uit.......... schakels
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 20 - Quiz
Welke rol heeft de leeuw in dit voedselweb?
A
Producent
B
Reducent
C
Concument 1e orde
D
Consument 2e orde
Slide 21 - Quiz
Fotosynthese
Zonlicht
Koolstofdioxide
Glucose
Zuurstof
Water
Slide 22 - Drag question
Waarom is fotosynthese zo belangrijk voor andere organismen?
A
Door de fotosynthese wordt zuurstof verbruikt.
B
Door de fotosynthese komt er nieuwe energie vrij.
C
Door de fotosynthese komt er telkens nieuw voedsel op aarde.
Slide 23 - Quiz
Een ander woord voor producent is
A
dier
B
plant
C
bacterie
D
schimmel
Slide 24 - Quiz
Bacterien en schimmels zijn
A
producenten
B
consumenten
C
reducenten
Slide 25 - Quiz
Mensen zijn
A
producenten
B
consumenten
C
reducenten
Slide 26 - Quiz
Maak een voedselketen, door de organisme naar de juiste plaats te slepen.
1 -->
2 -->
3 -->
4
kikker
Algen
Waterslak
blauwe reiger
Slide 27 - Drag question
Waarom heeft piramide van biomassa altijd een piramide vorm
A
Er zijn meer predatoren
B
Er zijn altijd meer producenten
C
Er gaat per schakel energie verloren
Slide 28 - Quiz
Een juiste voedselketen is:
A
konijn-> havik-> vos
B
muis->slang-> uil
C
gras->konijn-> havik-> vos
D
uil->slang->muis->gras
Slide 29 - Quiz
Als een organisme geen ander organisme nodig heeft als voedsel noemen we dit:
A
een consument
B
een reducent
C
een producent
Slide 30 - Quiz
Een voedselketen: Paardebloem-> sprinkhaan->kikker De kikker is een:
A
procucent
B
consument van de 1e orde
C
consument van de 2e orde
D
reducent
Slide 31 - Quiz
In de koolstofkringloop wordt door veel organismen stoffen verbrand. Welke organismen in de koolstofkringloop dan aan verbranding? Meerdere antwoorden mogelijk.