Curaçao werd in 1634 door de Nederlanders veroverd op Spanje. Aruba en Bonaire volgden in 1636 om vanaf Curaçao bestuurd te worden. De eilanden waren niet moeilijk te veroveren omdat de Spanjaarden ze als nutteloos beschouwden. Er was goud en zilver te vinden en voor grote plantages waren ze niet geschikt.
De bodem bestond voornamelijk uit rotsen en het klimaat was te droog.
De natuurlijke haven en de strategische ligging waren ideaal. Bovendien kon er vanuit Curaçao goed handel gedreven worden. Curaçao werd dan ook de belangrijkste slavenmarkt van de Cariben en Caribische producten. De uit Afrika gehaalde slaven werden in Curaçao opgeknapt. De slaven werden verkocht en verscheept naar gebieden in heel Amerika.