Woche 27 - 8mh

Die Lernziele
Am Ende der Stunde...
  • kun je de zwakke werkwoorden vervoegen
  • kannst du über Schule schreiben



20 min - Werkwoorden
20 min - Schreibecke
10 min - Abschließen


Willkommen bei Deutsch! Woche 27 - Stunde 1
1 / 16
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Die Lernziele
Am Ende der Stunde...
  • kun je de zwakke werkwoorden vervoegen
  • kannst du über Schule schreiben



20 min - Werkwoorden
20 min - Schreibecke
10 min - Abschließen


Willkommen bei Deutsch! Woche 27 - Stunde 1

Slide 1 - Slide

Oefenen voor de toets: Werkwoorden
timer
10:00
Hulp?
Grammatik S.186-187 

Klaar?
Hand omhoog 

Slide 2 - Slide

Die Lernziele
Am Ende der Stunde...
  • kun je de zwakke werkwoorden vervoegen
  • kannst du über Schule schreiben



20 min - Werkwoorden
20 min - Schreibecke
10 min - Abschließen


Willkommen bei Deutsch! Woche 27 - Stunde 2

Slide 3 - Slide

SO
Hulp? Hand omhoog. Niet roepen!
Klaar? Blijf zitten.
1x fluisteren, praten, klooien, storen = toets inleveren en uitstuurbrief!


  • 20 minuten + 5 minuten extra tijd
  • Schrijf je voor- en achternaam en klas boven op de toets.
  • In de toets antwoorden en schrijven.
  • Schrijf de hoofdletters duidelijk!
  • Geen potlood of rode pen!

Slide 4 - Slide

Seite 43

Slide 5 - Slide

Seite 26: Vul de juiste zinnen in. Gebruik Schreibecke E, p.43.

timer
10:00
Hulp?
Schreibecke E 
Seite 43

Klaar?
Hand omhoog
Seite 26: Schik de woorden. Maak zinnen. Het eerste woord staat er al.

Slide 6 - Slide

Seite 26, Aufgabe 23 & 24: Antworten

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Link

Slide 9 - Link

Seite 33

timer
15:00
Hilfe?
 Wörterbuch

Fertig?
Hand hoch.
A. Wat zijn de twee betekenissen van deze woorden? Zoek de betekenissen op in het (online) woordenboek en noteer beide betekenissen hieronder zoals in de tabel.

B. Lees de zinnen en geef aan of hier betekenis 1 of 2 wordt bedoeld.

Slide 10 - Slide


A
1. De zitbank; de bank (geldzaken)
2. De stier; de smeris
3. De breuk (bot, glas); de breuk (rekenen)
4. Ezelsoor, omgevouwen hoekje van een pagina in een boek; paddenstoel
5. Vingerhoed (naaigerei); Vingerhoedskruid (plant)
6. Gerecht (juridisch); gerecht (maaltijd)
7. Elektriciteit; stroming (rivier, lucht)


B
1 de bank (geldzaken)
2 de stier
3 de breuk (rekenen)
4 een ezelsoor (omgevouwen hoekje)
5 de Vingerhoedskruid (plant)
6 dit gerecht (maaltijd)
7 weinig elektriciteit

Seite 32, Aufgabe 33: Antworten

Slide 11 - Slide

Boter kaas en eieren – “kaufen”

Slide 12 - Slide

Boter kaas en eieren – “reden”

Slide 13 - Slide

Boter kaas en eieren – “heißen”

Slide 14 - Slide

Hulp?
Wörterlisten A, B 
Seite 40
Hausaufgaben: Seite 31
für Montag 22-04-24

Slide 15 - Slide

timer
15:00
Hulp?
Wörterlisten 
S. 40 & 41

Klaar?
S. 31, A. 31
Seite 30

Slide 16 - Slide