26 maart: start Spelling cursus 7.2 en 7.3 Leestekens

26 maart: start spelling cursus 7 § 2 en  § 3 leestekens
Mavo 2 periode 4 
week 13 2e les (26 maart)
* blz. 57-58 Wojtek: werkblad met vragen= volgende les! 

1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 18 slides, with text slides.

Items in this lesson

26 maart: start spelling cursus 7 § 2 en  § 3 leestekens
Mavo 2 periode 4 
week 13 2e les (26 maart)
* blz. 57-58 Wojtek: werkblad met vragen= volgende les! 

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Welkom 
plattegrond: 
timer
5:00

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Planning
Lezen: Wojtek blz. 47 -50 
Huiswerk bespreken
Startopdracht: dictee
Instructie 7.2 en 7.3 leestekens
Inoefenen
~pauze~
Zelfstandig oefenen 
Afsluiting


timer
10:00

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

*Wojtek lezen + 
maken werkblad blz. 57-58 
Lezen: Wojtek blz. 51-58*

Maak de vragen bij het leesgedeelte over Wojtek. 

timer
15:00

Slide 4 - Slide

1. maart
2. dinsdag
3. blad (van een boom)
4. bn van plastic
5. bn van lekker 
6. mv van brief
7. mv van gans
8. verkleinwoord van koning
9. verkleinwoord van pink
10. verkleinwoord van worm
Huiswerk check✓
Spellingsoefeningen

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Huiswerk check✓
Spellingsoefeningen

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Startopdracht
Dictee:
Luister naar het woord.
Denk aan de regels.
Schrijf het woord goed op.
Lees het woord over.
Kijk het woord na.

@docent: zie notities

Slide 7 - Slide

1. meneer Van Dalen
2. Gert de Groot
3. glad
4. duizendvoud
5. bn van langzaam: de ....... boot
6. bn van glas: de ...... fles
7. mv van fietsdief
8. mv van bezem
9. verkleinwoord van bodem
10. verkleinwoord van lieveling

Kijk na en verbeter:
1. meneer Van Dalen
2. Gert de Groot
3. glad
4. duizendvoud
5. de langzame boot
6.de glazen fles
7. mv van fietsdief: fietsdieven
8. mv van bezem: bezems
9. verkleinwoord van bodem: bodempje
10. verkleinwoord van lieveling: lievelingetje

Slide 8 - Slide

1. maart
2. dinsdag
3. blad (van een boom)
4. bn van plastic
5. bn van lekker 
6. mv van brief
7. mv van gans
8. verkleinwoord van koning
9. verkleinwoord van pink
10. verkleinwoord van worm
Doel 7.2 komma en 7.3 dubbele punt en aanhalingstekens 



  •  Je leert komma's op de juiste manier te gebruiken
  • Je leert de leestekens 'dubbele punt' en 'aanhalingstekens' op de juiste manier te gebruiken. 
SO spelling cursus 7: 

!!!

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

7.2 komma blz. 230


> Tussen twee persoonsvormen: 
Terwijl ik de hond uitlaat, luister ik naar een podcast. 

> Tussen de delen van een opsomming: 
Op het dienblad staat boter, jam, hagelslag en suiker. 

> Voor voegwoorden, zoals: omdat, maar, toen, want, voordat. NIET voor en/of
Kim wil niet pratenwant ze is boos. Kim wil niet praten en ze wil niet komen. 


Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Inoefenen 
Opdracht 2 blz. 230 

Slide 11 - Slide

1. meneer Van Dalen
2. Gert de Groot
3. glad 
4. duizendvoud
5.  bn van langzaam: de ....... boot 
6. bn van glas: de ...... fles
7.  mv van fietsdief
8. mv van bezem
9. verkleinwoord van bodem
10. verkleinwoord van lieveling

dubbele punt en aanhalingstekens
Voorbeeldzinnen: 


Ik kreeg deze cadeautjes: een voetbal, een controller en een game. 
Mijn favoriete vakantielanden zijn: Italië, Frankrijk en Zwitserland. 

Orlando zei: "Ik ga vrijdag op vakantie."

"Ik ga vrijdag op vakantie", zei Orlando. (hier géén dubbele punt!)

Orlando zei dat hij vrijdag op vakantie gaat (dit is indirecte reden, dus geen aanhalingstekens) 

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

7.3 dubbele punt en aanhalingstekens 
blz. 230/232


> Een dubbele punt laat zien dat je iets aankondigt of opsomt. 
Ik kreeg deze cadeautjes: een voetbal, een controller en een game. 
> Aanhalingstekens "......."  plaats je voor en na wat iemand letterlijk zegt. 
                                                   Dit heet een citaat.  Het staat in de directe rede.
  Met een dubbele punt kondig je het citaat aan. Ik zeg: " ......... . "
Orlando zei: "Ik ga vrijdag op vakantie."
"Ik ga vrijdag op vakantie", zei Orlando. (hier géén dubbele punt!)
Orlando zei dat hij vrijdag op vakantie gaat (dit is indirecte reden, dus geen aanhalingstekens) 

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Inoefenen 
Opdracht 2 en 3 blz. 233

Slide 14 - Slide

1. meneer Van Dalen
2. Gert de Groot
3. glad 
4. duizendvoud
5.  bn van langzaam: de ....... boot 
6. bn van glas: de ...... fles
7.  mv van fietsdief
8. mv van bezem
9. verkleinwoord van bodem
10. verkleinwoord van lieveling

timer
5:00

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Aan het werk
Maak opdracht 4 en 5 van blz. 233.
Schrijf het antwoord in je schrift. 

(= huiswerk voor 1 april) 
timer
5:00

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Afsluiting
Check de doelen bij jezelf: 
  1. Je weet hoe je de onderdelen hoofdletters, leestekens, laatste letter t/d, bijvoeglijke naamwoorden, meervouden en verkleinwoorden goed moet schrijven. 
  2. Je weet wanneer je een komma, dubbele punt en aanhalingstekens schrijft. 
timer
5:00

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Volgende les 1 april: 
Instructie 7.4 meervouden op 's, -en en -ën

 Huiswerk 1 april: 
Maak opdracht 4 en 5 blz. 233 af. 
 Agenda: 

Slide 18 - Slide

This item has no instructions