4. Meervoudsvormen op -s, -en, -en

Welkom BT2B!
Leuk om jullie weer te zien.

Ga zitten volgens de plattegrond &
pak jullie boek en schrift erbij.


1 / 21
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 2

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Welkom BT2B!
Leuk om jullie weer te zien.

Ga zitten volgens de plattegrond &
pak jullie boek en schrift erbij.


Slide 1 - Slide

Programma 1e les:

Onderdeel spelling 

Meervoudsvormen blz 234

maken opdrachten 1 t/m 4 in je boek.
>Al gemaakt? Online oefentoets paragraaf 4.


Programma les 2:

Werken aan de PO. 

Deze vrijdag is de deadline.

weging 1x.

Slide 2 - Slide

§ 4 Meervoudsvormen op -en, -s, -ën, -n





Blz. 234

Slide 3 - Slide

Waarvoor leer je dat?

  • week 14 PO. Weging 1x.
  • week 16 (maandag 14 t/m vr 18 april): toets Grammatica, spelling en formuleren. Weging 2x.

Gr: 2, 4, 6 en 8
SP: 4, 5, 10, 11 en 12.


Slide 4 - Slide

Schrijf je bureaus of bureau's?

Slide 5 - Open question

Meervoud op -s
De -s schrijf je eraan vast als dat geen probleem voor de uitspraak oplevert: 
kamers, dekens, logés, tantes, dominees, printers, bureaus, asperges, kanaries. 

Slide 6 - Slide

Meervoud op 's (1)
Gebruik je om uitspraakproblemen te voorkomen. Dat doe je bij afkortingen en bij woorden die eindigen op: i, o, u, a of y
vwo's, wc's, bikini's, ski's, accu's, lama's, jury's.


Slide 7 - Slide

Meervoud op 's (2)
Trucje: Ik hou van y's.

Slide 8 - Slide

ik hou van y's
ski's, auto's, paraplu's, pyjama's, jury's

Want: skis, autos, paraplus, lamas, jurys levert uitspraakproblemen op en daarom 's

Slide 9 - Slide

Meervoud
A
taxis
B
taxi's
C
taxies
D
taxie's

Slide 10 - Quiz

Meervoud: wat is het meervoud van piano?
A
pianos
B
pianoos
C
piano's
D
pianoo's

Slide 11 - Quiz

Meervoud
A
cafées
B
cafees
C
cafés
D
café 's

Slide 12 - Quiz

Meervouden op -en
Schrijf -en aan het woord vast: stoel-stoelen, koord-koorden, pols-polsen. 
LET OP: klinkerweglating: leraar - leraren
medeklinkerverdubbeling: pet-petten, rok-rokken

Slide 13 - Slide

Soms moet je iets aanpassen:
Kloof- kloven, staaf-staven
Kluis-kluizen, laars-laarzen
Uitzonderingen: kaars- kaarsen, paragraaf - paragrafen

Slide 14 - Slide

Sommige woorden hebben twee meervouden:

zoons - zonen, gemeenten-gemeentes
musea/museums
data/datums

Slide 15 - Slide

Trema
1. je schrijft -ën erbij als de klemtoon op de laatste -ie of -ee valt: feeën, genieën en reeën. 
2. Je schrijft -n en een trema erbij als de klemtoon er niet op valt: bacteriën, poriën en oliën. 

Slide 16 - Slide

meervouden

Wat is het meervoud van idee?
A
idees
B
ideeen
C
ideeën
D
ideën

Slide 17 - Quiz

Trema of geen trema?
A
financien
B
financiën

Slide 18 - Quiz

Trema of niet?

A
tweeentwintig
B
tweeëntwintig

Slide 19 - Quiz

Zelfstandig werken 
WAT: Maak opdracht 1 in je boek. Opdracht 2 en 3 in je schrift (meervoud van de woorden opschrijven) en 4 in je schrift.
HOE? Eerste 10 min. in stilte. Daarna mag je overleggen op fluistertoon.
HULP? Steek je vinger op, de docent komt bij je.
TIJD? 30 minuten. 
Klaar? Werk laten zien aan docent en nakijkvel ophalen. 

 





timer
20:00

Slide 20 - Slide

Aan het werk
Maak opdracht 1 in je boek
opdracht 2 en 3 in je schrift (meervoud van de woorden opschrijven)
Opdracht 4 in je schrift. 

Slide 21 - Slide