Eindexamen vmbo

1. Deze les 3x 45 minuten 
- Theorie leesvaardigheid korte herhaling
- 2023 tijdvak 2 tekst 1+2+3 vraag 1 t/m 22

Klaar; 
- Examenwoorden Quizlet en Blink
- Blooket

Afsluiten; Nakijken tekst 1 t/m 3 ---> Blooket 

1 / 23
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 23 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

1. Deze les 3x 45 minuten 
- Theorie leesvaardigheid korte herhaling
- 2023 tijdvak 2 tekst 1+2+3 vraag 1 t/m 22

Klaar; 
- Examenwoorden Quizlet en Blink
- Blooket

Afsluiten; Nakijken tekst 1 t/m 3 ---> Blooket 

Slide 1 - Slide

Eindexamen vmbo 
  1. Tips bij leesvaardigheid
  2. Instructiewerkwoorden
  3. Stappenplan open vragen
  4. Stappenplan multiple choice vragen
  5. Signaalwoorden en tekstverbanden
  6. Schrijfopdracht
  7. Schooltaalwoorden

Slide 2 - Slide

Wat krijg je op het examen?
          ONDERDEEL:               TEKSTSOORT:                MAX. TIJD:
1. 
tekst
20 min.
2. 
tekst
25 min.
3.
advertentie
10 min.
4. 
tekst
30 min.
schrijfopdracht
30 min.

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Let op:

Slide 5 - Slide

Algemeen bij leesvaardigheid
  • De vragen worden op volgorde gesteld. De laatste vraag van een tekst zal dus niet snel over het begin van de tekst gaan en andersom. Zo weet je waar je in de tekst moet zoeken.
  • Kijk naar het puntenaantal: elke punt is ongeveer 3 minuten werk. Een vraag van 2 punten is dus 6 minuten werk.
  • Ga bij de vragen uit van wat er letterlijk in de tekst staat.
  • Bij meerkeuzevragen kies je maar 1 antwoord, tenzij erbij staat dat je er meer moet kiezen. Bij een open vraag waar je twee dingen moet invullen, vul je er twee in en niet drie of vier.
  • Bij een tegenstelling noteer je beide onderdelen, net zoals bij oorzaak- gevolg.

Slide 6 - Slide

Deze vragen zitten er sowieso in:
- Welk tussenkopje hoort bij welke alinea?;
- Wat is de functie van alinea?;
- Citeer een zin ;
- Zeg in eigen woorden;
- De hoofdgedachte van een tekstgedeelte;
- Standpunt en argumenten van een persoon;
- Hoofdgedachte van de hele tekst;
- Wat is het tekstdoel en wat is de tekstsoort?

Slide 7 - Slide

Instructiewerkwoorden

Slide 8 - Slide

Instructiewerkwoorden
Instructiewerkwoorden

Slide 9 - Slide

Stappenplan open vragen
  1. Lees de vraag door.
  2. Wat is het instructiewerkwoord: Wat moet je doen?
  3. Wat is het maximaal aantal woorden, als dat nodig is.
  4. Formuleer je antwoord.
  5. Tel het aantal woorden en schrijf dat erbij. 
  6. Controleer of je antwoord hebt gegeven op de vraag. 
  7. Controleer op spelling, hoofdletters en leestekens. 

Slide 10 - Slide

Stappenplan meerkeuzevragen
  1. Lees de vraag door zonder naar de antwoorden te kijken.
  2. Bedenk wat jouw antwoord zou zijn op de vraag
  3. Kijk nu pas naar de antwoorden. 
  4. Streep de twee antwoorden die sowieso fout zijn door.
  5. Ga bij meerkeuzevragen uit van wat er letterlijk in de tekst staat. 
  6. Kijk niet naar de lengte van de antwoorden. Het langste antwoord hoeft niet het goede antwoord te zijn.
  7. Vul altijd een antwoord in. Je kunt beter gokken dan niets invullen!



Slide 11 - Slide

Tekstsoorten, tekstdoelen
Tekstsoort
Tekstdoel
Voorbeeld
informatieve tekst
informeren
krantenartikel
betogende tekst
overtuigen, mening beïnvloeden
recensie, betoog, column 
overhalende/
activerende tekst
aansporen tot actie
folder, handleiding, recept
amuserende tekst
vermaken
boek, strip

Slide 12 - Slide

Onderwerp
  • Titel, tussenkopjes, afbeeldingen, eerste alinea
  • Het onderwerp geeft in één woord of in een aantal woorden aan, waar de tekst over gaat
  • Het onderwerp is nooit een hele zin
  • Je kunt het onderwerp vaak al uit de titel halen, niet altijd
  • Vaak wordt het onderwerp letterlijk herhaald in de tekst


Slide 13 - Slide

Hoofdgedachte
  • De hoofdgedachte van een tekst geeft in één zin de belangrijkste informatie uit de tekst weer
  • Het is dus de kortst mogelijke samenvatting van een tekst
  • Je kunt de hoofdgedachte formuleren door antwoord te geven op de vraag : "Wat zegt de schrijver over het onderwerp?"
  • Onderwerp van de tekst komt dus terug in de hoofdgedachte.

Slide 14 - Slide

Kernzin
  • De kernzin is de belangrijkste zin in een alinea
  • De kernzin geeft aan waar een alinea over gaat
  • De kernzin vind je aan het begin of aan het eind van de alinea.
  • De andere zinnen zijn een uitwerking van de kernzin en geven vooral uitleg en/of voorbeelden

Slide 15 - Slide

Tekstverbanden
In een tekst staan vaak verschillende verbanden. Als je de verbanden ziet, begrijp je de tekst beter.

Let op signaalwoorden. Die geven het verband aan in de tekst.
Tekstverband
Signaalwoorden
Reden
daarom, omdat, namelijk
Tegenstelling
maar, echter, hoewel
Conclusie
kortom, dus
Oorzaak-gevolg
doordat, daardoor, zodat

Slide 16 - Slide

Feit, mening of argument?
Feit: een feit kun je controleren.
Mening: een mening is iets wat iemand vindt.
Argument: een reden waarom je een bepaalde mening hebt. Je herkent een argument aan signaalwoorden, zoals: want, omdat, daarom, namelijk. 

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Link

Quizlet/ Blink
- Meest voorkomende examenwoorden
- Definities oefenen en testen



Slide 19 - Slide

Aan de slag
- Eindexamen 2023 tijdvak 2
- Tekst 1  t/m 3 vraag 1 t/m 22
- Quizlet examenwoorden

Slide 20 - Slide

2 Weer 3x 45 minuten
- Uitleg schrijfopdracht
- Zakelijke e-mail
- 2023 tijdvak 2 tekst 4 vraag 23 t/m 34
- Schrijfopdracht zakelijke  e- mail
- Uitwisselen nakijken + beoordelen

Slide 21 - Slide

Schrijfopdracht algemene tips
  1. De tekst moet uit minimaal 100 woorden bestaan. Anders krijg je geen punten voor taalgebruik.
  2. Maak een juiste alinea verdeling.
  3. Elke zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt.
  4. Maak de zinnen niet te lang!
  5. Neem de woorden over uit de situatieschets, dan maak je daarin geen fouten in de spelling. 

Slide 22 - Slide

Stappenplan schrijfopdracht
  1. Kijk welke soort tekst je moet schrijven: artikel, zakelijke brief of e-mail. 
  2. Lees de situatieschets
  3. Bedenk wat je in welke alinea gaat schrijven. 
  4. Controleer op alinea's
  5. Controleer op inhoud
  6. Controleer op spelling
  7. Controleer de conventies
  8. Lees de schrijfopdracht nog een keer goed door

Slide 23 - Slide