Argumenteren les 2

Hoofdstuk 2: argumenteren
(les 2)
1 / 11
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 11 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Hoofdstuk 2: argumenteren
(les 2)

Slide 1 - Slide

Argumenteren 1. Standpunt en argument
Kernwoorden:
  • Standpunten (impliciet en expliciet) en argumenten
  • tegenargument en weerlegging
  • Feitelijke en waarderende argumenten

Slide 2 - Slide

Feitelijke en waarderende argumenten
Standpunt: de wolf is welkom in Nederland, omdat...

  1. … de wolf hier honderd jaar geleden ook al rondzwierf. 
  2. … het een prachtig dier is.
  3. … de regering verlies van vee aan schapenboeren vergoedt.
  4. … ze alleen maar eng zijn in sprookjes.
  5. … de wolf een beschermde diersoort is. 
Zijn deze ^ argumenten feitelijk of waarderend?



Slide 3 - Slide

Terugblik paragraaf 1
Standpunt: de wolf is welkom in Nederland omdat...

  1. … de wolf hier honderd jaar geleden ook al rondzwierf.
  2. … het een prachtig dier is.
  3. … de regering verlies van vee aan schapenboeren vergoedt.
  4. … ze alleen maar eng zijn in sprookjes.
  5. … de wolf een beschermde diersoort is. 



  1. F
  2. W
  3. F
  4. W
  5. F

Slide 4 - Slide

Standp... want Argum... maar Tegenarg... toch weerl
Korte oefening
Hieronder zie je vier zinnen. Geef ze het goede label: standpunt, argument, tegenargument of weerlegging.

  1. We hebben zonnepanelen op het dak.
  2. Als je je kamer uit loopt, moet je je licht uitdoen.
  3. Er wordt meer stroom gebruikt dan er wordt opgewekt.
  4. Het is zonde om meer stroom te gebruiken dan nodig is.





Slide 5 - Slide

Terugblik paragraaf 1
Korte oefening
Hieronder zie je vier zinnen. Geef ze het goede label: standpunt, argument, tegenargument of weerlegging.
  1. We hebben zonnepanelen op het dak.
  2. Als je je kamer uit loopt, moet je je licht uitdoen.
  3. Er wordt meer stroom gebruikt dan er wordt opgewekt.
  4. Het is zonde om meer stroom te gebruiken dan nodig is.





 Standpunt

Slide 6 - Slide

Terugblik paragraaf 1
Korte oefening
Hieronder zie je vier zinnen. Geef ze het goede label: standpunt, argument, tegenargument of weerlegging.
  1. We hebben zonnepanelen op het dak.
  2. Als je je kamer uit loopt, moet je je licht uitdoen.
  3. Er wordt meer stroom gebruikt dan er wordt opgewekt.
  4. Het is zonde om meer stroom te gebruiken dan nodig is.





 Standpunt
argument

Slide 7 - Slide

Terugblik paragraaf 1
Korte oefening
Hieronder zie je vier zinnen. Geef ze het goede label: standpunt, argument, tegenargument of weerlegging.
  1. We hebben zonnepanelen op het dak.
  2. Als je je kamer uit loopt, moet je je licht uitdoen.
  3. Er wordt meer stroom gebruikt dan er wordt opgewekt.
  4. Het is zonde om meer stroom te gebruiken dan nodig is.





 Standpunt
argument
tegenargument

Slide 8 - Slide

Terugblik paragraaf 1
Korte oefening
Hieronder zie je vier zinnen. Geef ze het goede label: standpunt, argument, tegenargument of weerlegging.
  1. We hebben zonnepanelen op het dak.
  2. Als je je kamer uit loopt, moet je je licht uitdoen.
  3. Er wordt meer stroom gebruikt dan er wordt opgewekt.
  4. Het is zonde om meer stroom te gebruiken dan nodig is.





 Standpunt
argument
tegenargument
weerlegging

Slide 9 - Slide

Argumenteren: standpunt en argumentatie
Hoe onderscheid je een standpunt van een argument?

Standpunt     >>>want>>>    argument

Argument        >>> dus >>>    standpunt

Ondersteunt iets het standpunt, dan is het een argument(voor) of een weerlegging. 

Slide 10 - Slide

Nieuw Nederlands blz. 64, 65
Lezen tekst 2 blz. 65

Maak daarna opdracht 3 bij tekst 2
(Huiswerk voor morgen)

Slide 11 - Slide