Week 13 - §5.1 de balans 5.1 t/m 5.6

1 / 26
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Vandaag...
  1. Planning periode 3 (5 minuten)
  2. Introductie Hoofdstuk 5 -> §5.1 (15 minuten)
  3. Leerdoelen §5.1 (5 minuten)
  4. Uitleg §5.1 (15 minuten)
  5. Aan de slag (opdracht 5.1 t/m 5.6) (20 minuten)
  6. Opdrachten bespreken (10 minuten)
  7. Afsluiten (LessonUp) (15 minuten)

Slide 2 - Slide

Planning periode 3

Slide 3 - Slide

Introductie hoofdstuk 5: De financiële administratie van een eigen bedrijf

Slide 4 - Slide

Wat is een financiële administratie?
  • Een financiële administratie is het systematisch bijhouden van alle geldzaken van een organisatie of bedrijf. 
  1. Inkomsten: Geld dat het bedrijf ontvangt, bijvoorbeeld van klanten.
  2. Uitgaven: Geld dat het bedrijf uitgeeft, bijv. aan salarissen of huur.
  3. Facturen: Documenten die aangeven hoeveel geld een klant of leverancier verschuldigd is.
  4. Betalingen en ontvangsten: Het geld dat wordt betaald of ontvangen.
  5. Balansen en winst- en verliesrekeningen: Overzichten die laten zien hoe het financieel met het bedrijf gaat.

Slide 5 - Slide

Pak je laptop erbij!

Slide 6 - Slide

Waarom moet je als ondernemer een financiële administratie bijhouden?

Slide 7 - Mind map

Als je een bedrijf opricht denk je na over hoe/waar je jouw product verkoopt (4 P's), maar met welke zaken krijg je nog meer te maken als je een bedrijf opricht?

Slide 8 - Mind map

Doe je laptop dicht, maar ga niet uit LessonUp!

Slide 9 - Slide

Leerdoelen, aan het einde van de les kun je...
  1. Uitleggen wat een balans is.
  2. Uitleggen welke balansposten veranderen naar aanleiding van recente verkopen of inkopen van een bedrijf. 

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Opdracht: Voorbeeldbalans
Wat heb je onthouden van het filmpje? Hoe zag de balans van een bedrijf er ook alweer uit?
Opdracht: 2 leerlingen schrijven/tekenen op ieder bord aan links en rechts een voorbeeldbalans, zoals die in het filmpje stond.
De volgende begrippen moeten terugkomen:
Balans, Debet, Credit, Bezittingen, Schulden, Vaste activa, Vlottende activa, Liquide middelen/activa, Eigen vermogen, Lang vreemd vermogen, Kort vreemd vermogen.

Slide 13 - Slide

De balans
  • Een balans laat zien hoe een bedrijf aan geld komt en wat dat bedrijf met dat geld heeft gedaan.
  • Aan de rechterkant, de creditzijde, staat hoe het geld verkregen is.
  • Aan de linkerkant, de debetzijde, staat wat er met het geld gedaan is.

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Creditzijde:
  • Eigen vermogen: het geld wat iemand zelf in de onderneming stopt/heeft.
  • Vreemd vermogen: de schulden of leningen van een bedrijf. 

Slide 16 - Slide

Debetzijde:
  • Vaste activa: gebouwen, bedrijfswagens, machines en inventaris (gaan langer dan één jaar mee).
  • Vlottende activa: Ingekochte voorraden, worden bij verkoop direct omgezet in geld (gaan korter dan één jaar mee).
  • Liquide activa/middelen: geld in de kas (contant) en geld op de bankrekening (giraal).

Slide 17 - Slide

Aan het werk!
  • Wat? §5.1 de balans - opdr 5.1 t/m 5.6.
  • Hoe? Fluisteren, in tweetallen
  • Hoelang? 15 minuten
  • Klaar? Nakijken! Boekje staat online.
Let op, hierna gaan we opdracht 5.5 
5.6 bespreken!
timer
15:00

Slide 18 - Slide

Opdracht 5.5

Slide 19 - Slide

Opdracht 5.6

Slide 20 - Slide

Pak je laptop erbij!

Slide 21 - Slide

Linkerkant van de balans
Rechterkant van de balans
Activa
Passiva
Debet
Credit
Schulden
Bezittingen

Slide 22 - Drag question

Balans: Zet de activa onder de juiste categorie
Vaste activa
Vlottende activa
Liquide middelen
geld in kas
gebouw
banksaldo
inventaris
voorraad goederen

Slide 23 - Drag question

Tom verkoopt zijn voorraad proteïnerepen ter waarde van € 1.700 voor € 2.600. Hij ontvangt het geld op zijn bankrekening. Met hoeveel neemt zijn eigen vermogen toe/af?
A
+ € 2.600
B
+ € 1.700
C
+ € 900

Slide 24 - Quiz

Na een jaar moet Tom wegens derving zijn voorraad proteïnerepen van € 3.200 weggooien. Wat gebeurt er nu met het eigen vermogen?
A
Neemt toe
B
Neemt af
C
Blijft gelijk

Slide 25 - Quiz

Wat heb je geleerd?
Wat heb je geleerd?

Slide 26 - Slide