Overal 1-2 hv 4.6 relatieve snelheid

4.6 relatieve snelheid
1 / 26
next
Slide 1: Slide
ScienceMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1,2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

4.6 relatieve snelheid

Slide 1 - Slide

Relatieve snelheid
Discussievraag
Vrachtwagens mogen elkaar tijdens het spitsuur op sommige wegen niet inhalen.
Waarom eigenlijk niet

Slide 2 - Slide

Inhalen
Als je wilt weten hoelang het duurt voordat je iemand hebt ingehaald moet je de relatieve snelheid weten.
De relatieve snelheid is het verschil in snelheid tussen twee bewegende voorwerpen

Slide 3 - Slide

Inhalen
De relatieve snelheid geeft aan hoeveel harder of langzamer je gaat dan iemand anders.
Je fietst  achter een vriend aan.
met en snelheid van 7 m/s
Jij rijdt met een snelheid van 8 m/s.
Je relatieve snelheid is dan
8 - 7 = 1 m/s
Je komt dus elke seconde 1 meter dichterbij.

Slide 4 - Slide

Een auto met een snelheid van 50 km/h haalt een fietser met een snelheid van 15 km/h in.
wat is de relatieve snelheid van de auto
A
50 km/h
B
15 km/h
C
35km/h
D
65 km/h

Slide 5 - Quiz

twee wandelaars lopen een straat met een lengte van 1 km door.ze beginnen op het zelfde punt.
wandelaar1 loopt met een snelheid van 1,5 m/s
en wandelaar twee met een snelheid van 1,3 m/s
wat is de relatieve snelheid van wandelaar 1
A
1,5 m/s
B
1,3 m/s
C
2,8 m/s
D
0, 2 m/s

Slide 6 - Quiz

twee wandelaars lopen een straat door. Ze beginnen op het zelfde punt.
wandelaar 1 loopt met een snelheid van 1,5 m/s, en wandelaar twee met een snelheid van 1,3 m/s
Hoe groot is het verschil in afstand tussen de twee wandelaars na 1 minuut.
A
0,2m
B
200m
C
1,2m
D
12m

Slide 7 - Quiz

Een auto rijdt 100 meter achter een vrachtwagen.
De auto rijdt met een snelheid van 120 km/h en de vrachtwagen met een snelheid van 80 km/h.
Hoelang doet de auto erover om naast de vrachtwagen te komen.
A
2,5s
B
2,5 uur
C
9s
D
11s

Slide 8 - Quiz

Tegemoet komen
Als iemand in jouw richting rijdt dan heeft hij een negatieve snelheid.
De blauwe auto rijdt met een snelheid van 50 km/h.
De tegemoetkomende grijze auto rijdt met een snelheid van 60 km/h. dan is zijn snelheid negatief dus -60 km/h.
Dan is de relatieve snelheid:
50 - (-60) = 110 km/h

Slide 9 - Slide

voorbeeld
Mark en John doen mee aan een hardloopwedstrijd.
Mark loopt met een constante snelheid van 13 km/h.
John loopt het eerste deel langzamer en loopt op 3,0 km voor de finish 300 meter achter. Vanaf dat moment loopt John met een snelheid van 14 km/h.
Bereken de relatieve snelheid van John over de laatste 3 km.
Antwoord:
 14 km/h - 13 km/h = 1 km/h  is gelijk aan 1 / 3,6 = 0,278 m/s

Slide 10 - Slide

voorbeeld
Mark en John doen mee aan een hardloopwedstrijd.
Mark loopt met een constante snelheid van 13 km/h.
John loopt het eerste deel langzamer en loopt op 3,0 km voor de finish 300 meter achter. Vanaf dat moment loopt John met een snelheid van 14 km/h.
Ga na wie de wedstrijd wint. bij een relatieve snelheid van 0,278m
a.Hoelang doet John erover om Mark in te halen.
b.Na hoeveel tijd gaat John daadwerkelijk over de finsh.

Antwoord a:   300 meter : 0,278 m =1079 s

Antwoord b:   gegevens : s= 3000m   v= 14 / 3,6 =3,9 m/s
                           gevraagd: t =  ?   formule: t = s/v
                           berekening: t = 3000 / 3,9 = 769 s
                           Antwoord: Mark wint want John heeft 1079 s nodig
                           maar heeft nog maar 769s voor de finish.

Slide 11 - Slide

Een bromscooter komt een snorscooter tegemoet.
De bromscooter heeft een snelheid van 38 km/h.
De snorscooter heeft een snelheid van 21 km/h
Wat is de relatieve snelheid van de bromscooter.
A
17 km/h
B
21 km/h
C
38 km/h
D
59 km/h

Slide 12 - Quiz

Een bromscooter komt een snorscooter tegemoet.
De bromscooter heeft een snelheid van 38 km/h.
De snorscooter heeft een snelheid van 21 km/h
Hoe lang duurt het voordat de scooters elkaar passeren als zij op een afstand van 500 meter van elkaar zijn.
A
8,5 uur
B
8,5s
C
30,5 s
D
106s

Slide 13 - Quiz

Juist of onjuist
De relatieve snelheid is de som van de snelheid van twee bewegende voorwerpen
A
juist
B
onjuist

Slide 14 - Quiz

Juist of onjuist
Een negatieve snelheid is een snelheid in de zelfde richting
A
juist
B
onjuist

Slide 15 - Quiz

Juist of onjuist
Een negatieve snelheid is een snelheid in de zelfde richting
A
juist
B
onjuist

Slide 16 - Quiz

Inhalen in een diagram
Op welk tijdstip je iemand inhaalt kun je zien in een (s,t)-diagram, op het moment dat je iemand inhaalt zijn tijd en afstand hetzelfde.
In een (s,t)-diagram is dit het punt waar de twee grafieken elkaar snijden.
Joke haalt Alice op 2 s in, ze zijn dan op dezelfde positie.

Slide 17 - Slide

Inhalen in een diagram
In een (v,t)-diagram betekent het snijpunt iets anders.
De snelheid is hier namenlijk gelijk.
De afgelegde afstand kun je berekenen uit de oppervlakte onder de grafiek.
John heeft op 10 s een grotere afstand (grotere oppervlakte) afgelegd dan Adrian.

Slide 18 - Slide


Op welke afstand Haalt Joke,
 Alice ongeveer in.
A
2S
B
1,3m
C
1,5m
D
geen van de antwoorden

Slide 19 - Quiz


Hoe groot is de snelheid van Alice
A
0,5m/s
B
0,58 m/s
C
0,65m/s
D
1.58m/s

Slide 20 - Quiz


Hoe groot is de snelheid van Joke
A
0,5m/s
B
0,58 m/s
C
0,65m/s
D
1.58m/s

Slide 21 - Quiz


Hoe groot is de relatieve snelheid van Alice ten opzichte van Joke
gebruik de antwoorden van de twee vorige vragen.
A
0,07m/s
B
0,58 m/s
C
1,23m/s
D
1.58m/s

Slide 22 - Quiz


Hoe groot is de snelheid van Johan op 10 seconde.


A
10 m/s
B
5 m/s
C
6 m/s
D
7 m/s

Slide 23 - Quiz


Hoe groot is de relatieve snelheid  van Johan ten opzichte van Adrian op 10 seconde.


A
0m/s
B
6 m/s
C
1 m/s
D
8m/s

Slide 24 - Quiz


Hoe groot is de relatieve snelheid  van Adrian ten opzichte van Johan op 20 seconde.


A
0m/s
B
6 m/s
C
1 m/s
D
8m/s

Slide 25 - Quiz

huiswerk
Lees de lesstof van 4.6 digitaal
maak de vragen van 4.6 digitaal

Slide 26 - Slide