This lesson contains 44 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 30 min
Items in this lesson
Vandaag
Stillezen
Theorie : voegwoorden, signaalwoorden en omschrijvingen
Oefenen via LessonUp en lesboek
Woorden Kern 30, 31 en 34 via Quizlet
Pauze
Kijken en luisteren: kritisch kijken en luisteren
Oefenen met werkwoordspelling
Slide 1 - Slide
Wat is een thema?
Het thema is het hoofdonderwerp van het verhaal (film, serie of lied).
Thema's die veel voorkomen: liefde, dood, vriendschap, eenzaamheid of opgroeien tot volwassene.
Slide 2 - Slide
Slide 3 - Slide
Lesdoel
Aan het eind van de les weet ik wat signaalwoorden zijn en kan ik deze vinden in een tekst of zin.
Slide 4 - Slide
Wat is een signaalwoord?
• Verbindingswoorden
•Signaalwoorden geven het verband aan tussen, zinnen en alinea’s.
Slide 5 - Slide
Tijd
Voordat, nadat, eerst, daarna, wanneer, vroeger, hierna, , vervolgens, later, ten eerste, ten slotte, later, oorspronkelijk, intussen
Slide 6 - Slide
Welk signaalwoord past in de zin: .... er verkiezingen komen, presenteren de partijen zich aan de kiezers.
A
Nadat
B
Voordat
C
Eerst
D
Want
Slide 7 - Quiz
Opsomming
en, ook, verder, daarbij, bovendien, daarnaast, een ander…, ten eerste, vervolgens, eveneens, noch… noch…, zowel… als…., niet alleen… maar ook…, tevens, voorts, ten slotte
Slide 8 - Slide
Welk signaalwoord past in de zin: Eerst zijn er verkiezingen en ..... wordt er een nieuw kabinet samengesteld.
A
ook
B
daarom
C
dus
D
vervolgens
Slide 9 - Quiz
Tegenstelling
maar, echter, toch, doch, niettemin, daarentegen, juist (niet), al(hoewel), desondanks, enerzijds… anderzijds…, in tegenstelling tot, daar staat tegenover dat, terwijl (in de betekenis van hoewel)
Slide 10 - Slide
Welk signaalwoord past in de zin: In Mexico is het .... Nederland het hele jaar door warm.
A
in tegenstelling tot
B
ondanks
C
evenals
D
behalve
Slide 11 - Quiz
Oorzaak – gevolg
Oorzaak: doordat, door, de oorzaak is…, te danken/wijten aan, ten gevolge van Gevolg: daardoor, hierdoor, waardoor, leidt tot…., zodat, het gevolg/resultaat/effect (daarvan) is
Slide 12 - Slide
Welk signaalwoord past in de zin: De PVV heeft hele extreme standpunten, .... veel partijen niet met hen willen samenwerken.
A
omdat
B
dus
C
aangezien
D
waardoor
Slide 13 - Quiz
Doel – middel
Om te, daarmee, waarmee, door middel van
Slide 14 - Slide
Welk signaalwoord past in de zin: Ik heb een pakketje ontvangen ..... ik een cadeau kon geven aan mijn vriend.
A
waarmee
B
doordat
C
tenzij
D
vandaar dat
Slide 15 - Quiz
Voorbeeld/ toelichting
zo, bijvoorbeeld, zoals, namelijk, ter illustratie, stel, neem, onder andere, denk hierbij aan, dat komt voor bij, dat is het geval bij
Slide 16 - Slide
Welk signaalwoord past in de zin: Ik hou ervan om aan het eind van de dag even te ontspannen, ........ door een boek te lezen of een wandeling te maken.
A
aangezien
B
omdat
C
want
D
zoals
Slide 17 - Quiz
reden
omdat, want, immers, namelijk, vanwege, wegens, aangezien, daarom, dus
Slide 18 - Slide
Welk signaalwoord past in de zin: Mensen stemmen alleen in een hokje, ... de privacy.
A
omdat
B
vanwege
C
want
D
immers
Slide 19 - Quiz
Voorwaarde
Als, wanneer, tenzij, ( niet als),
mits(= alleen als) aangenomen dat gesteld dat
Slide 20 - Slide
Welk signaalwoord past in de zin: ... iemand zich niet kan legitimeren, mag hij/zij ook niet gaan stemmen.
A
Als
B
Tenzij
C
Bijvoorbeeld
D
Want
Slide 21 - Quiz
Samenvatting / conclusie
kortom, samengevat, al met al, alles bij elkaar genomen, om kort te gaan, met andere woorden
dus, vandaar, daarom, om die redenen, dan ook, kortom, al met al, concluderend, dat betekent, aldus, hieruit volgt
tegenstelling: Ik eet een appel, maar vind ik het vies.
gevolg: Ik eet een appel, zodat ik minder trek heb.
reden: Ik eet een appel, want dat is gezond.
Slide 25 - Slide
Omschrijvingen
In plaats van hetzelfde woord te herhalen, kun je het ook omschrijven. Je zegt dan hetzelfde, maar in andere woorden. Daardoor wordt je tekst prettiger leesbaar.
Slide 26 - Slide
Omschrijvingen - voorbeeld
Erik wacht nu al tijden op de bus. De 15-jarige scholier kan
vanwege een beenbreuk niet fietsen.
--> Erik en de 15-jarige scholier zijn dezelfde persoon.
Slide 27 - Slide
Aan de slag
Je maakt opdracht 1 t/m 5 van Kern 34 (blz. 72+73)
Slide 28 - Slide
Nabespreking
Slide 29 - Slide
Opdracht 1
In de eerste alinea is sprake van een opsomming. Dat kun je zien aan de woorden ‘ook’ en
‘daarnaast’.
Slide 30 - Slide
Opdracht 2
zodat, omdat, dus, en
Slide 31 - Slide
Opdracht 3
De PWR 27, het elektronische hulpmiddel, deze back-up accu, het hebbeding.
Slide 32 - Slide
Opdracht 4
Je kunt hetzelfde woord omschrijven in plaats van te herhalen, je kunt voegwoorden gebruiken
en je kunt signaalwoorden gebruiken.
Slide 33 - Slide
Opdracht 5a
Dit weekend rijden er geen treinen, omdat er aan het spoor wordt gewerkt.
Slide 34 - Slide
Opdracht 5b
Ik vertrek vijf minuten eerder, zodat ik zeker weet dat ik de bus ga halen.
Slide 35 - Slide
Opdracht 5c
Er waren allerlei leuke spelletjes en activiteiten bedacht, maar er kwamen nauwelijks kinderen opdagen.
Slide 36 - Slide
Opdracht 5d
De huisarts is weggeroepen voor een spoedgeval, dus de wachttijd kan wel oplopen tot een half uur of een uur.
Slide 37 - Slide
Opdracht 5e
Op alle jassen krijg je 40% korting en alle broeken gaan voor de helft van de prijs weg.
Slide 38 - Slide
Wat weet jij over ...
signaalwoorden ?
en voegwoorden?
Slide 39 - Slide
Woorden kern 30, 31 en 32
Oefenen via Quizlet
Slide 40 - Slide
Kijken en luisteren oefenen
Je oefent voor de KLT (SE4), deze wordt afgenomen in week 5: (27.01.25 t/m 31.01.25)
Vandaag: kritisch kijken en luisteren
Je leest eerst de vraag, kijkt een gedeelte van het fragment en beantwoordt de vraag (de timer loopt).
Slide 41 - Slide
Kijken en luisteren nakijken
Je kijkt jezelf na aan de hand van het antwoordenblad.
Slide 42 - Slide
Kijken en luisteren toets
Hoe ging de KLT?
Slide 43 - Slide
Klaar?
Je oefent met het oefenblad 6 voor werkwoordspelling.
--> Je kijkt voor de theorie van werkwoordspelling in de reader 'werkwoordspelling' via Teams/ bestanden/lesmateriaal/ 2. Spelling