Klas 3 week 16 imperfecto

Buenos días
Jueves, 16 de abril
¿Qué vamos a hacer?
  • preguntas de la semana 14 y 15
  • Imperfecto
  • Imperfecto <--> indefinido
1 / 11
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 11 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Buenos días
Jueves, 16 de abril
¿Qué vamos a hacer?
  • preguntas de la semana 14 y 15
  • Imperfecto
  • Imperfecto <--> indefinido

Slide 1 - Slide

Preguntas de las semanas 14 y 15

Slide 2 - Slide

pretérito imperfecto
yo
él, ella, ud
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, uds
hablar
hablaba
hablabas
hablaba
hablábamos
hablabais
hablaban
comer
comía
comías
comía
comíamos
comíais
comían
vivir
vivía
vivías
vivía
vivíamos
vivíais
vivían

Slide 3 - Slide

pretérito imperfecto onregelmatig
yo
él, ella, ud
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, uds
ser
era
eras
era
eramos
eráis
eran
ver
veía
veías
veía
veíamos
veíais
veían
ir
iba
ibas
iba
íbamos
ibais
iban
De imperfecto heeft maar 3 onregelmatige werkwoorden. 

Slide 4 - Slide

pretérito indefinido <--> pretérito imperfecto
(zie ook reader pagina 39 en 40)
Imperfecto: achtergrond/decor/beschrijving
Indefinido: actie/handeling/gebeurtenis, dat wat op de voorgrond staat. 

Slide 5 - Slide

  • Gebruik imperfecto 1










  • Het begin of einde van de handeling/situatie is niet belangrijk. Het gaat meer om de beschrijving:
     - ¿Cómo era tu abuelo?           
        Hoe was jouw opa?
     * Era un hombre muy inteligente.   
        Het was een hele slimme man. 
     - ¿En el colegio tenías muchos amigos?   
         Had je veel vriendjes op school?
    

          

Slide 6 - Slide

Gebruik imperfecto 2
  • Om een gewoonte of een herhaling in het verleden te beschrijven. 

    - Cada domingo iba a Madrid.   
       Elke zondag ging ik naar Madrid.

    - Cada mañana comprabamos el periódico en el quiosco.
       Elke morgen kochten we de krant in de kiosk. 


Slide 7 - Slide

Gebruik imperfecto 3
  • Om de achtergrond te beschrijving voor een handeling of actie. 
     - Llovía cuando ocurrió el accidente.
        Het regende toen het ongeluk gebeurde.
  
      - Estaba para salir cuando sonó el teléfono
        Ik stond op het punt te vertrekken toen de telefoon                 ging. 

Slide 8 - Slide

Gebruik indefinido 1
  • Om te praten over handelingen of gebeurtenissen uit het verleden die ook echt zijn afgesloten

   - Ayer comimos en un restaurante italiano.
     Gisteren hebben we in een Italiaans restaurant gegeten. 

   - La semana pasada me apunté para un curso de japonés.
     Vorige week heb ik me ingeschreven voor een cursus               Japans. 

Slide 9 - Slide

Gebruik indefinido 2
  • Het begin of einde van de handeling/gebeurtenis is van belang.
    - Ana estudió Química hasta los 21 años.
       Ana studeerde tot haar 21e scheikunde.
    - Nos quedamos hasta las once de la noche.
       We zijn tot 11 uur 's avonds gebleven. 

Slide 10 - Slide

A trabajar
oefenen met de pretérito imperfecto
stencil
LA: pág. 102 ej. 1 en pág 103 ej. 4
leren de vervoeging

Slide 11 - Slide