Les 5.3 Reactiesnelheid

Les 5.3 Reactiesnelheid
1 / 25
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 25 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Les 5.3 Reactiesnelheid

Slide 1 - Slide

Planning
  • 5.3 Reactiesnelheid
  • Maken opgaven
  • Nakijken opgaven 

Slide 2 - Slide

Leerdoel
Je kunt met gegevens over een reactie de reactiesnelheid berekenen in mol per liter per seconde (mol L−1 s−1).

Slide 3 - Slide

Reactiesnelheid


  • sgem de gemiddelde reactiesnelheid in mol per liter per seconde (mol L−1 s−1);
  • [A] de concentratie van stof A in mol per liter (mol L−1);
  • t de tijd in seconden (s).


Slide 4 - Slide

Reactiesnelheid
  • voorbeeld: N2O4(g) → 2 NO2(g)


Slide 5 - Slide

voorbeeldopdracht 1

Slide 6 - Slide

voorbeeldopdracht 1

Slide 7 - Slide

voorbeeldopdracht 2
Lees voorbeeldopdracht 2 voor jezelf door

Slide 8 - Slide

Maken: 1 t/m 6 (blz 91)

Slide 9 - Slide

1
  • a) bijvoorbeeld: de explosie van dynamiet; de verbranding van benzine in een automotor; de verbranding van aardgas
  • b) bijvoorbeeld: het roesten van ijzer; de ontleding van waterstofperoxide door middel van licht; de verbranding van voedsel in je lichaam

Slide 10 - Slide

2
  • a) De reactiesnelheid is over het algemeen niet constant, waardoor je niet van één reactiesnelheid kunt spreken.
  • b) Door de concentratieverandering te delen door de verstreken tijd, weet je hoeveel mol per liter er gemiddeld per seconde is omgezet. Dat aan het begin van het tijdsinterval de reactiesnelheid groter was dan aan het eind, maakt dan niet uit.

Slide 11 - Slide

3
  • a) De reactiesnelheid is constant. Dit betekent dat telkens dezelfde hoeveelheid ammoniak wordt omgezet per seconde. Het concentratie-tijddiagram laat een rechte lijn zien met een constante richtingscoëfficiënt. Dat is grafiek b.
  • b) De reactiesnelheid neemt steeds verder af in de tijd. In het begin is de reactiesnelheid groot. Daarna wordt de reactiesnelheid steeds kleiner. De concentratie neemt in het begin ook snel af, omdat de reactiesnelheid groot is. Daarna is de afname van de concentratie steeds kleiner. De grafiek loopt dus steeds minder steil. Daarbij hoort grafiek a.

Slide 12 - Slide

3
  • c) De reactiesnelheid neemt steeds meer toe. Daardoor neemt de concentratie beginstof steeds sneller af. De grafiek loopt steeds steiler. Hierbij hoort grafiek c.

Slide 13 - Slide

4a

Slide 14 - Slide

4a

Slide 15 - Slide

4b

Slide 16 - Slide

4c
  • Nee, want je hebt nog 0,7 g magnesium en er is een overmaat zoutzuur 

Slide 17 - Slide

Maken: 5 en 6

Slide 18 - Slide

5
  • a) C2H6(g) + Br2(l) → C2H5Br(l) + HBr(g)
  • b)

Slide 19 - Slide

5
  • a) C2H6(g) + Br2(l) → C2H5Br(l) + HBr(g)
  • b)

Slide 20 - Slide

5c

Slide 21 - Slide

5
  • d) Gedurende de reactie nemen de ethaan- en broomconcentratie steeds verder af. Daardoor is er steeds minder beginstof om te reageren. De reactiesnelheid neemt dan gedurende de tijd af. Op het laatst lijkt de reactiesnelheid constant te worden.

Slide 22 - Slide

6
  • a) C6H12O6(aq) → 2 CO2(g) + 2 C2H5OH(aq)
  • b) De gisten gaan dan dood, waardoor de reactie niet meer kan plaatsvinden.
  • c) De reactie is exotherm. Er staat immers een minteken (−) voor het getal. Dat betekent dat er warmte vrijkomt. De reactor zal moeten worden gekoeld om de gisten niet dood te laten gaan.

Slide 23 - Slide

6d

Slide 24 - Slide

6e
  • e) De gisten groeien op de glucose. Er komen steeds meer gistcellen in de reactor, waardoor de reactiesnelheid steeds groter kan worden.

Slide 25 - Slide