Schermtijd en je ogen

Schermtijd en je ogen
1 / 12
next
Slide 1: Slide
Begrijpend lezenBasisschoolGroep 4

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

Schermtijd en je ogen

Slide 1 - Slide

1. Wat betekent schermtijd?
A
Hoe lang je scherm aan is.
B
Hoe goed je scherm werkt.
C
De tijd die je voor een scherm doorbrengt.
D
Hoe oud het scherm is.

Slide 2 - Quiz

2. Wat kunnen te veel schermtijd doen met je ogen?
A
moeie ogen
B
hoofdpijn
C
droge ogen, moeilijk zien
D
alle antwoorden

Slide 3 - Quiz

3. Hoe lang mag je per dag voor een scherm zitten, behelve voor huiswerk?
A
Niet langer dan 2 uur per dag.
B
Niet langer dan 3 uur per dag.
C
Niet langer dan 10 uur per dag.
D
Niet langer dan 1 uur per dag.

Slide 4 - Quiz

4. Noem twee problemendie je kunt krijgen als je te lang naar een scherm kijkt?
A
moeie ogen
B
hoofdpijn
C
ziek worden
D
antwoord A en B

Slide 5 - Quiz

5. Wat moet je iedere 20 minuten doen als je naar een scherm kijkt?
A
Kijk 20 seconden naar iets dat ver weg is.
B
Buiten een rondje gaan rennen.
C
2 uur iets anders gaan doen.
D
Niks

Slide 6 - Quiz

6. Waarom is het goed om elke dag naar buiten te gaan voor je ogen?
A
Dan is het niet zo donker.
B
Zonlicht is goed voor je ogen.
C
Dan ben je even niet achter een scherm.
D
Dan kun je beter kijken.

Slide 7 - Quiz

7. Hoe ver moet je een scherm van je ogen houden?
A
Twee handen van je af.
B
Zodat je er geen last van hebt.
C
3 centimeter
D
Op een armlengte afstand houden.

Slide 8 - Quiz

8. Wat is belangrijk voor de kamer waarin je naar je scherm kijkt?
A
Dat de gordijnen open zijn.
B
Dat hij opgeruimd is.
C
Goed licht in de kamer.
D
Geen idee.

Slide 9 - Quiz

9. Wat kun je doen als je het moeilijk vindt om je schermtijd te beperken.
A
Stel een schermslot in.
B
Vraag je ouders om hulp.
C
Ga bidden.
D
Ga lekker naar buiten.

Slide 10 - Quiz

10. Waarom is pauzes nemen goed voor je ogen?
A
Bijv. : Het geeft je ogen rust en voorkomt vermoeidheid.
B
Dan kunnen ze even slapen.
C
Bijv.:Dan word je rustig.
D
Dan gaat het goed.

Slide 11 - Quiz

Dat was tie weer!

Slide 12 - Slide