DISK thema 11 taak 2

DISK thema 11 taak 2
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

DISK thema 11 taak 2

Slide 1 - Slide

Wat gaan we doen?
- Woorden oefenen en nieuwe woorden
- Vraagwoorden herhalen
- Oefenen
- Filmpje kijken
- DISK taak 2 -> een interview

Slide 2 - Slide

Huiswerk controleren

Slide 3 - Slide

In de sportschool kun je verschillende sporten doen.

In de sportschool kun je ....... sporten doen.

Slide 4 - Open question

Wat betekent het bestuur?
A
Een groot feest of wedstrijd.
B
een groep mensen die de baas zijn.
C
Iemand die meedoet aan een wedstrijd.
D
Je gezondheid

Slide 5 - Quiz

Schrijf een zin met 'de conditie'.

Slide 6 - Open question

Hoe noem je iemand die meedoet aan een wedstrijd?
A
Het bestuurslid
B
De speler
C
De deelnemer
D
De conditie

Slide 7 - Quiz

Type hier een titel
Schrijf voor elk woord de woordendriehoek in je schrift.
In je schrift:
De reactie: praten, antwoord, gevoel.
Woorden van de woordenlijst

Slide 8 - Slide

Type hier een titel
inhouden
  • De inhoud van deze doos is onbekend.




.
uitleggen
Inhouden
betekenen

Slide 9 - Slide

Type hier een titel
de meerderheid
  • De meerderheid van de klas had het huiswerk gemaakt.




.
groep
de meerderheid 
veel
de meeste

Slide 10 - Slide

Type hier een titel
de minderheid
  • De minderheid van het team kwam op de training.




.
groep
de minderheid 
weinig
de minste

Slide 11 - Slide

Type hier een titel
Nationaal
  • Het nationale elftal doet mee aan het EK.




.
bekend
Nationaal 
vlag
van een land

Slide 12 - Slide

Type hier een titel
Onderstaand
  • Lees de onderstaande tekst goed.




.
informatie
Onderstaand
beneden
hieronder

Slide 13 - Slide

Vraagwoorden

Slide 14 - Mind map

De woordvolgorde in een zin
1. Persoon
2. Werkwoord
3. Extra informatie
Hij
fietst
naar school.

Slide 15 - Slide

De woordvolgorde bij een vraagzin
1. Werkwoord
2. Persoon
3. Extra informatie
Fietst
hij
naar school?

Slide 16 - Slide

De woordvolgorde bij een vraagzin met een vraagwoord
1. Vraagwoord
2. Werkwoord
3. 
Persoon
4. Extra informatie
Wanneer
fietst
hij
naar school?

Slide 17 - Slide

Herhaling: De afspraak
Als de vraagzin begint met een vraagwoord, dan is het tweede woord altijd een werkwoord. Daarna de persoon.
1. Vraagwoord
2. Werkwoord
3. 
Persoon
4. Extra informatie
Wanneer
fietst
hij
naar school?
Waar
koop
jij
kleding?

Slide 18 - Slide

Ik ga woensdag en donderdag naar school.
Maak een vraag bij het antwoord.

Slide 19 - Open question

Vijf leerlingen zitten in de klas.
Maak een vraag bij het antwoord.

Slide 20 - Open question

Ik eet vanmiddag rijst met kip.
Maak een vraag bij het antwoord.

Slide 21 - Open question

Rosa spreekt Nederlands.
Maak een vraag bij het antwoord.

Slide 22 - Open question

Vraagsoorten
Er bestaan verschillende soorten vragen:

Open vragen:
Nodigen uit tot het geven van informatie. Beginnen vaak met wie, wat, waar, wanneer, waarom of hoe.
Voorbeeld: Hoe gaat het met je?

Gesloten vragen:
Deze vragen nodigen niet uit tot het geven van (veel) informatie. Je kunt ze beantwoorden door alleen 'ja' of 'nee' te zeggen. 
Voorbeeld: Vind je vakantie leuk?

Ook bestaan er gesloten vragen waarbij er verschillende antwoordmogelijkheden worden voorgesteld in de vraag. 
Voorbeeld: Hou je meer van kaas of van worst?

Slide 23 - Slide

Wat is een interview?
Een interview is een vraaggesprek.
1 iemand stelt vragen (de interviewer), de ander geeft antwoord op de vragen.

We gaan een stukje van een interview kijken.

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Video

Hoe oud is Noa?
... jaar

Slide 26 - Open question

Wie is de interviewer?
Noa of de man?

Slide 27 - Open question

Taak 2
Je gaat een interview houden.
1. Bedenk vijf vragen over vrije tijd en hobby's.
2. Stel de vragen aan een klasgenoot.
3. Schrijf een verslag over het interview.
4. Klaar? DISK bronnen en bouwstenen thema 11.

Slide 28 - Slide