2 a Drie van de volgende gevallen:
Gebruik een koppelteken:
- als klinkers ‘botsen’ (wanneer de klinkers samen ook een andere klank kunnen vormen);
- bij gelijkwaardige combinaties, zoals bij combinaties van titels en beroepen;
- tussen alle woorden van een vaste woordgroep (wanneer die samen één begrip vormen);
- bij aardrijkskundige namen en samenstellingen die daarvan afgeleid zijn;
- na afkortingen, letters en speciale tekens.
b Je gebruikt geen koppelteken bij afkortingen als je de afkorting uitspreekt als één woord in plaats
van losse letters.