V5 - Grammatik - (Wechsel-)präpositionen II

V5 - Grammatik - (Wechsel-)präpositionen herh
1 / 17
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

V5 - Grammatik - (Wechsel-)präpositionen herh

Slide 1 - Slide

Die Prüfung - 
welche Grammatik?

1) Naamvallen: der-Gruppe en ein-Gruppe 
2) Voorzetsels (+3e & 4e nv)
3) Keuzevoorzetsels
4) Werkwoorden met een vaste nv
5) Modale werkwoorden (tt, vt en volt. dw)
Benodigde kennis
  • Je kent de der-groep & ein-groep in de 1e, 3e, 4e naamval.
  • Je kent de vaste voorzetsels met de 3e en 4e naamval.
  • Je kent de keuzevoorzetsels met de 3e/4e naamval én je kent de regels voor het kiezen van 3e of 4e nv.
  • Je kent de werkwoorden die een vaste nv nemen en welke
  • Je kent de modale ww + wissen en je kunt ze vervoegen in de tt, vt en het volt. dw

Slide 2 - Slide

Planung
Weißt du es noch? Grammatik: 
  • Wechselpräpositionen mit dem 3. oder 4. Fall
  • Der-Gruppe 
  • Ein-Gruppe
 
       
Benodigde voorkennis
  • Je kent de keuzevoorzetsels met de 3e of 4e naamval.
  • Je kent de der-groep & ein-groep in de 1e, 3e, 4e naamval.

Leerdoel
  • Ik kan de juiste naamvallen in het Duits toepassen

Slide 3 - Slide

Welche Präpositionen stehen im 3. Fall?

Slide 4 - Mind map

Welche Präpositionen stehen im 4. Fall?

Slide 5 - Mind map

Ich fahre mit .... Zug (m) nach München.
A
der
B
den
C
dem
D
die

Slide 6 - Quiz

Ohne .... (mijn) Lieblingsmusik ( v) kann ich nicht lernen.
A
meinen
B
meiner
C
mein
D
meine

Slide 7 - Quiz

Hoe belangrijk de naamvallen zijn voor de communicatie blijkt wel uit bovenstaande afbeeldingen.

Slide 8 - Slide

Keuzevoorzetsels 
(Wechselpräpositionen)
  • in: in, over
  • an: aan, op
  • auf: op
  • hinter: achter
  • vor: voor
  • neben: naast
  • zwischen:tussen
  • über: boven
  • unter: onder

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

* vaak kan je aan het werkwoord zien of er sprake is van ergens zijn (3e) of beweging (4e).

Slide 12 - Slide

Das Buch liegt auf d... Tisch(m).
A
dem
B
den

Slide 13 - Quiz

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het boek ligt op de tafel.
op = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'waar'? 
Antwoord: ligt op de tafel. Dus 3e naamval.

Dus: Das Buch liegt auf d... Tisch (m).
3de naamval -> der (1)                 dem (3).

Slide 14 - Slide

3e of 4e naamval:

Unsere Schule liegt in einer Stadt.
A
3e
B
4e

Slide 15 - Quiz

3e of 4e naamval:

Sabine stellt die Schuhe in den Schrank.
A
3e
B
4e

Slide 16 - Quiz

Grammatik: Voorzetsels
Machen: Learnbeat: Grammatik Wechselpräp.
Zeit: diese Stunde und Zuhause
Hausaufgaben: Aufgaben fertigmachen



Slide 17 - Slide