le 11 mars

Le 11 mars
1 / 20
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 20 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 6 min

Items in this lesson

Le 11 mars

Slide 1 - Slide

Devoirs
- Apprends voc C (colonne 2)
- Fais C1, C3, C5 (p. 38-39)

Slide 2 - Slide

programme du 11 mars
- mini test voc C (colonne 2)
- parler: finir description de ta famille (tante ppt)
- corriger C1, C3, C5 (p. 38-39)
- regarder matière du contrôle
- test formatif miniscule



Slide 3 - Slide

Mini-test voc C (colonne 2)
1. J'aime chaque élève de cette classe! 
2. Je décris mon voisinet après je raconte quelque chose de ma soeur suivante
3. Est-ce que tu m'aides avec cette langue bizarre?



timer
3:00

Slide 4 - Slide

PW Kennis (3x) 
- VTD voc A, B, C
- 10 onregelmatige ww être, avoir, aller, faire, vouloir, pouvoir, mettre, prendre, savoir, venir (nieuw)
- Imparfait
- Bijvoeglijknw plaats & vorm
- Aanwijzende vnw (ce/cet/cette/ces)
- Bezittelijke vnw (mon/ma/etc.)
- Verhaaltje kennen

een certain = een zekere

Slide 5 - Slide

4d & 4e (p. 57)
4d: sa bouge, ses yeux, ses cheveux, ses mains, son sourire, sa silhouette, son style, ses vêtements

exercice 4e
1. mon       6. ta          11. mon     16. tes
2. mon      7. son       12. tes
3. mon      8. tes        13. mes
4. ton         9. mes     14. tes
5. mon      10. mes    15. ta

timer
3:00
herinnering:
in deze opgaven niet maar onthoud:
ma/ta/sa + klinker/h wordt mon/ton/son

Slide 6 - Slide

programme du 10 mars
- mini test voc C (colonne 1) 
- poll: tes vacances
- lire les résumés + ppt
- corriger 4d & 4e (p. 57)
- finir description de ta famille (tante ppt)
- les verbes: UNO

Slide 7 - Slide

Devoirs
- Apprends voc C (colonne 2)
- Fais C1, C3, C5 (p. 38-39)

Slide 8 - Slide

programme du 19 février
- Taaldorp ? Vacances ? 
- corriger 15, 16  
- écouter 5
- commencer 16de, 17


Slide 9 - Slide

programme du 19 février
- Taaldorp ? Vacances ? 
- corriger 15, 16  
- écouter 5
- commencer 16de, 17


Slide 10 - Slide

test d'écriture formatif
Schrijf een stukje over jouw vakantie.  Gebruik minimaal 100 woorden. Je kan bijvoorbeeld de volgende punten behandelen:
- Wat heb je met Carnaval gedaan (met wie/wanneer/waar)?  Beschrijf je outfit.
- Wat heb je in de andere dagen gedaan (met wie, hoe vaak, waar, wanneer)?
- Was het een leuke vakantie? Wat was wel/niet leuk?
- Heb je nog iets voor school gedaan (wat/waarom/hoe)?

1. Let op de plaats en vorm van de bijvoeglijke naamwoorden (grammaire 11-12)
2. Heb je bij elke zin 1 persoonsvorm (nooit 0 of 2)?
3. Heb je overal een lidwoord?

timer
15:00

Slide 11 - Slide

Les adjectifs
1. Une (groot)...............................piscine................................
3. Le (oud)...............................train................................
4. Un (mooi)...............................fille................................
5. Un (groot)...............................cadeau................................
6. Des (gele)...............................chaussures................................
7. Une (aardig)...............................fille................................
8. Des (goede)...............................vacances................................

Slide 12 - Slide

Les adjectifs 2
1. Une (oud)...............................piscine................................
3. Le (groot)...............................train................................
4. Une (aardig)...............................fille................................
5. Les (mooie)...............................cadeaux................................
6. Des (nieuw)...............................chaussures................................
7. Une (aardig)...............................fille................................
8. Des (gek)...............................vacances................................

Slide 13 - Slide

Beschrijf jezelf:
Je geeft een zo uitgebreid mogelijke beschrijving van jezelf of je beste vriend(in). Gebruik minimaal 100 woorden. Je kan bijvoorbeeld de volgende punten behandelen:
- Groot/klein.
- Kleur haar/ogen.
- Lang haar, kort haar, krullen, stijl.
- Welke kleding draag(t) je/hij/zij op dit moment ?
- Welke kledingstijl heb je/heeft hij/zij?
- Is uiterlijk/ kleding belangrijk voor je/hem/haar; besteed(t) je/hij/zij er veel tijd aan?
- Je mag ook juist je/zijn/haar karakter beschrijven (hoe zien je vrienden je?).

Let op de plaats en vorm van de bijvoeglijke naamwoorden (grammaire 11-12)

Slide 14 - Slide

Beschrijf je familie:
Je geeft een zo uitgebreid mogelijke beschrijving van je familie. Gebruik minimaal 100 woorden. Je kan bijvoorbeeld de volgende punten behandelen:
. Je kan onderstaande punten ter inspiratie gebruiken:
- Met wie woon je in huis?
- Je kan individuele familieleden beschrijven: leeftijd, uiterlijk, karakter.
- Kunnen jullie het goed samen vinden? Wat doen jullie samen (of juist niet)?
- Is familie belangrijk voor je?

 
Let op de plaats en vorm van de bijvoeglijke naamwoorden (grammaire 11-12)

Slide 15 - Slide

corriger ensemble : 15d, 16c 

Slide 16 - Slide

load je foto van de creatieve opdracht met de "phrase bizarre" hier op

Slide 17 - Open question

apprends 5 min
- les verbes 100%
   après:
- les mots de Chaperon Rouge pour 100%
  après:
- une list de Quizlet > Magister studiewijzer

timer
5:00

Slide 18 - Slide

Chaperon Rouge

Slide 19 - Slide

Devoirs 1GY2
Deze en volgende les:

- apprends ton rôle de Chaperon Rouge pour 100%

Slide 20 - Slide