NK, Kapitel 4, les 5, week 11

Guten Morgen 
liebe Schüler!
1 / 34
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1,2

This lesson contains 34 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Guten Morgen 
liebe Schüler!

Slide 1 - Slide

Lernziel(e)
Je weet hoe je de der- en de ein-Gruppe moet herkennen en gebruiken.

Je kunt een reportage over jonge mensen en hun toekomstdromen begrijpen. 

Slide 2 - Slide

Programma:
Deel 1:
- HW nakijken
- Zelfstandig aan het werk met Grammatik.


Slide 3 - Slide

Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?
Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?

Slide 4 - Slide

Herhaling Grammatica

Slide 5 - Slide

Stappenplan: Stap 1
Je zoekt in de zin of er voorzetsels staan, die een naamval afdwingen.

 Is het een voorzetsel uit de 3e naamval?
 Is het een voorzetsel uit de 4e naamval?

Slide 6 - Slide

Voorzetsels 3e naamval 
uit
bij
met
na / naar
sinds
van
naar (personen)
aus   =
bei    = 
mit    =
nach =
seit   =
von   =
zu     =

Slide 7 - Slide

Voorzetsels 4e naamval (DOGBUF)
tot
door
voor
tegen
zonder
om
bis     =
durch =
für      =
gegen =
ohne   =
um      =

Slide 8 - Slide

der-Gruppe
m
v
o
mv
1
der Mann
die Frau
das Kind
die Kinder
3
dem Mann
der Frau
dem Kind
den Kindern
4
den Mann
die Frau
das Kind
die Kinder

Slide 9 - Slide

Ein-Gruppe
Tot de ein-Gruppe behoren:

  1. ein en kein
  2. bezittelijke voornaamwoorden

Slide 10 - Slide

ik 
mijn
jij
jouw
hij
zijn
zij 
haar
het 
zijn
wij
ons/onze
jullie
jullie
zij
hun
u
uw
ich
mein-
du
dein-
er
sein- 
sie 
ihr-
es
sein-
wir
unser-
ihr
euer-
sie
ihr-
Sie
Ihr-
Bezittelijk
voornaamwoord

Slide 11 - Slide

EIN-Gruppe
m
v
o
mv
1
ein Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder
3
einem Mann
einer Frau
einem Kind
keinen Kindern
4
einen Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder

Slide 12 - Slide

männlich
weiblich
sächlich
Mehrzahl
1.
ein Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder
3.
einem Mann
einer Frau
einem Kind
keinen Kindern
4.
einen Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder
Formen der Ein-Gruppe
Ein-Gruppe:  ein, kein, bezittelijke voornaamwoorden

Slide 13 - Slide

männlich
weiblich
sächlich
Mehrzahl
1.
der Mann
ein Mann
die Frau
eine Frau
das Kind
ein Kind
die Kinder
keine Kinder
3.
dem Mann
einem Mann
der Frau
einer Frau
dem Kind
einem Kind
den Kindern
keinen Kindern
4.
den Mann
einen Mann
die Frau
eine Frau
das Kind
ein Kind
die Kinder
keine Kinder
Formen der Fälle voor der + ein-gruppe

Slide 14 - Slide

Hoe ging nou dat stappenplan?
  • Hoort het woord bij de der- of bij de ein- Gruppe?
  • Volgt het in te vullen woord een voorzetsel dat een naamval afdwingt? 
  • Zo niet, dan moet je ontleden.
  • Kijk dan wat het geslacht van het zelfst.nw is zodat je weet in welke kolom je moet zoeken.

Slide 15 - Slide

Huiswerk nakijken
Kapitel 4
E-> Grammatik, Aufg. 23, 24, 25, boek
G-> Schreiben , Aufg. 37, 38, 39, 40 in je boek

Slide 16 - Slide

Aufgabe 23

Slide 17 - Slide

Aufgabe 24

Slide 18 - Slide

Aufgabe 25
1 Die Tickets sind für meinen Bruder.
2 Diese Messer sind für deinen Kochkurs.
3 Durch einen Freund habe ich davon erfahren.
4 Du sollst dich bei einem Abteilungsleiter melden.
5 Else trainiert morgen Abend mit ihrer Freundin.
6 Wir fahren samstagmorgens immer zu unserer Oma.
7 Thomas fährt nicht ohne seine Freunde ins Sommercamp

Slide 19 - Slide

Aufgabe 37
1. Omdat hij eerst moest voetballen en omkleden en daarna op zijn broer moest wachten en toen ook nog zijn fietssleutel kwijt was.

2. De optredens van Jule en Daniel en Nick.

3. Dat ze al om twaalf uur afgelopen zijn.

Slide 20 - Slide

Aufgabe 38

Slide 21 - Slide

Aufgabe 39
1 Ich war erst spät da.
2 Zuerst musste ich noch … und danach …
3 Dann musste ich noch ...
4 ... und als wir endlich …
5 erst um halb elf
6 Das habe ich alles verpasst.
7 Später war die Party …
8 Leider war die Party schon um … zu Ende.

Aufgabe 39
1 Ich war erst spät da.
2 Zuerst musste ich noch … und danach …
3 Dann musste ich noch ...
4 ... und als wir endlich …
5 erst um halb elf
6 Das habe ich alles verpasst.
7 Später war die Party …
8 Leider war die Party schon um … zu Ende.

Slide 22 - Slide

Aufgabe 40



Slide 23 - Slide

Aufgabe 40



Slide 24 - Slide

Aufgabe 40



Bijvoorbeeld:
heute, abends, nachts, am Wochenende, um acht Uhr, morgen, nächste Woche

Slide 25 - Slide

Welke woorden horen bij de der-Gruppe?
deze/dit = is in het Duits dies-
elk         = is in het Duits jed-
welk      = is in het Duits welch-
zulk       = is in het Duits solch-
sommig = is in het Duits manch-
alle        = is in het Duits all-

Slide 26 - Slide

Welke woorden horen bij de der-Gruppe?
Bijvoorbeeld:
das Essen -> Bei jedem Essen gibt es Pommes dazu.


der Mann   -> Für welchen Mann gibt es keine Frau?


die Zeit      -> Zu welcher Zeit essen wir?

dem
den
der

Slide 27 - Slide

Stappenplan: Stap 2
Als je geen voorzetsel ziet staan, dan zul je de zin moeten ontleden, om te bepalen welke naamval je moet invullen.






Slide 28 - Slide

Stappenplan: Stap 2
1. Is het een onderwerp dan -> 1e naamval
    Maak de zin vragend en het onderwerp staat achter PV op de 2e plek  

2. Is het een meewerkend voorwerp -> 3e naamval
    Stel de vraag:  aan wie of voor wie?

3.  Is het een lijdend voorwerp -> 4e naamval
     Stel de vraag: wie/wat, maar met de persoonsvorm en het OW


Slide 29 - Slide

Grammatik B, filmpje

Slide 30 - Slide

Zelfstandig aan het werk

Kapitel 5
A-> Sehen, Aufg. 1, 2, online
B-> Wortschatz, Aufg. 3, 4, 5, 6, 7, in je boek





Slide 31 - Slide

Les 2
We loggen in bij www.woots.nl  -> met entree!!!!

Dan kiezen jullie de toets die klaarstaat. 



Slide 32 - Slide

Hausaufgaben
Kapitel 5



A-> Sehen, Aufg. 1, 2, online
B-> Wortschatz, Aufg. 3, 4, 5, 6, 7, in je boek

Slide 33 - Slide

Kijk nu terug naar de lesdoelen:
Je weet hoe je de der- en de ein-Gruppe moet herkennen en gebruiken.

Je kunt een reportage over jonge mensen en hun toekomstdromen begrijpen. 



Slide 34 - Slide