les 5; keukenmaterialen termen en begrippen

Les 5 Keukenmaterialen 
Boodschappen
1 / 31
next
Slide 1: Slide
GwoMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Les 5 Keukenmaterialen 
Boodschappen

Slide 1 - Slide

Planning

  • Herhaling vorige week
  • opdracht activeren voorkennis
  • Opdrachten bespreken
  • quiz

Slide 2 - Slide

Leerdoelen
Aan het einde van deze les:

  • je kent/herkent de namen van de keukenmaterialen
  • je kent de toepassing van de keukenmaterialen 


Slide 3 - Slide

Hoe heet dit rode doekje?
A
Theedoek
B
Vaatdoek
C
Dweil
D
Handdoek

Slide 4 - Quiz

Wat voor doek is dit?
A
Vaatdoek
B
Handdoek
C
Theedoek
D
Dweil

Slide 5 - Quiz

Waarmee maak je een goed sopje?
A
Met koud water en afwasmiddel
B
Met alleen heet water en afwasmiddel
C
Met lauw (warm en koud) water en afwasmiddel
D
Met alleen water

Slide 6 - Quiz

Sleep de woorden naar de juiste plaatjes
afwasborstel
theedoek
vaatdoek
afdruiprek

Slide 7 - Drag question

Klik het plaatje met de keukenzeef aan
A
B
C
D

Slide 8 - Quiz

Welk antwoord is goed?
A
De gootsteen wordt schoongemaakt met schuurmiddel
B
Het aanrecht wordt schoongemaakt met een doekje
C
De gootsteen wordt schoongemaakt met een theedoek
D
Het aanrecht wordt geschuurd

Slide 9 - Quiz

Klik het plaatje met de koekenpan aan
A
B
C
D

Slide 10 - Quiz

Klik het plaatje met de braadpan aan
A
B
C
D

Slide 11 - Quiz

Welk materiaal pak je in de keuken om te wegen?
A
B
C
D

Slide 12 - Quiz

Wat staat er op de weegschaal?
A
85 kilo
B
850 gram
C
85 gram
D
850 milliliter

Slide 13 - Quiz

Met welk materiaal kan ik het beste een halve liter melk meten?
A
B
C
D

Slide 14 - Quiz

Wat is een trechter?
A
B
C
D

Slide 15 - Quiz

Zoek het juiste materiaal. Laat het zien als je aan de beurt bent!

Slide 16 - Slide

Wat zie je hier?
A
Een ui koken
B
Een ui snipperen
C
Een ui fruiten
D
Een ui braden

Slide 17 - Quiz

Wat is dit?
A
Eierdop
B
Ei peller
C
Eisnijder
D
Ei mes

Slide 18 - Quiz

Wat kan ik maken van een ei een kookpan en water?
A
B
C
D

Slide 19 - Quiz

Welk gerecht wordt hier gemaakt? Sleep de antwoorden naar het plaatje
wentelteefje
spiegelei
Omelet
pannenkoek

Slide 20 - Drag question

In welke pan verwarm ik de knakworstjes?
A
B
C
D

Slide 21 - Quiz

Mag je tijdens het bereiden van een soep ook zelf de soep proeven?
A
Nee, dat mag echt niet
B
Ja, maar de lepel die je hebt gebruikt moet je meteen bij de vieze vaat leggen
C
Ja, maar wel met de lepel die in de pan zit
D
Ja, alleen met je eigen vinger

Slide 22 - Quiz

Ork ork ork soep eet je met een.....
A
B
C
D

Slide 23 - Quiz

Welk plaatje hoort niet bij keukenmaterialen?
A
B
C
D

Slide 24 - Quiz

Hoe heet dit voorwerp?

Slide 25 - Open question

Hoe heet dit voorwerp?

Slide 26 - Open question

Hoe heet dit voorwerp?

Slide 27 - Open question

Termen en Begrippen

Zet de juiste termen en begrippen bij de beschrijving.
dit doe je door de termen en begrippen naar de beschrijving te slepen.  Je ziet hieronder een voorbeeld; sleep het antwoord (Afgieten) naar het antwoord (A) .
 Afgieten
Het verwijderen van het vocht
A

Slide 28 - Drag question

Afgieten
Blancheren
Invetten
Deeg
A
B
C
D
Het verwijderen van vocht
Het kort koken van groente of fruit, waarna het wordt afgespoeld met
   koud water om het garingsproces te stoppen
Ovenschalen, bakplaten en bakvormen insmeren met boter en/of olie
   Vrij vast, kneedbare of uitrolbare grondstof voor gebak

Slide 29 - Drag question

Bakken
Beslag
Bestuiven
Zeven
A
B
C
D
E
Een ingevette vorm met een laagje suiker of bloem bestrooien.
Het bereiden van eten in een vloeistof (water) die aan de kook is gebracht
 Het op vuur bruin en gaar maken in heet vet of in de oven gaar maken
 d.m.v hete lucht tussen de 140 en 250 graden.
Door een zeef schudden of wrijven van bloem of poedersuiker om
klontjes te verwijderen
 Vloeibare grondstof voor gebak, flensjes, pannenkoeken e.d.
Koken

Slide 30 - Drag question

Spatelen
Fruiten
Binden
Garneren
A
B
C
D
E
Uien of groente op laag vuur, lichtbruin en/of glazig bakken, in een
koekenpan
Het versieren van gebak en salades
Het dikker maken van een vloeistof b.v. jus of pudding
 Voorzichtig en luchtig door elkaar scheppen met behulp van een spatel
Met een garde luchtig kloppen van eiwit of slagroom
Opkloppen

Slide 31 - Drag question