Een samengestelde zin:
1. heeft twee werkwoorden (twee persoonsvormen) > Ik ben blij, want ze zon schijnt.
2. bestaat uit een zin met twee hoofdzinnen > Ik ga naar huis, want ik ben ziek.
Bij twee hoofdzinnen, zijn beide zinnen even belangrijk.
3. bestaat uit een zin met een hoofdzin en een bijzin > ik ga met de fiets, als jij de auto neemt.
Bij een hoofdzin en een bijzin, is de hoofdzin belangrijker dan de bijzin.