Les 10 - nevenschikkende zinnen met MEDOW

Welkom!
Wat gaan we vandaag doen?

. Check huiswerk DISK/ww-spelling
. Herhalen woordvolgorde
. Samengestelde zinnen voegwoorden: MEDOW
. Schrijven
. Lezen

1 / 32
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Welkom!
Wat gaan we vandaag doen?

. Check huiswerk DISK/ww-spelling
. Herhalen woordvolgorde
. Samengestelde zinnen voegwoorden: MEDOW
. Schrijven
. Lezen

Slide 1 - Slide

de normale zin - hoofdzin
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Ivan                gaat               morgen         naar Rotterdam.
Nadia             fietst              elke dag              naar school.
Maria              eet                 om 3 uur             een appel.
Jasim             tekent            altijd                     dieren.

Slide 2 - Slide

Maak zelf een zin met
Wie - Doen - Wanneer Rest

Slide 3 - Open question

een zin met 2 werkwoorden
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Ivan               is                      gisteren        naar Rotterdam    geweest.
Nadia           moet              elke dag           naar school            fietsen.
Maria            heeft              om 3 uur          een appel              gegeten.
Jasim           heeft               vandaag         mooie dieren        getekend.
werkwoord
1
2
3

Slide 4 - Slide

Maak zelf een zin met :

Wie - Persoonsvorm - Wanneer - Rest - Werkwoord

Slide 5 - Open question

En een vraagzin ??
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Is                  Ivan               gisteren        naar Rotterdam      geweest?
Moet           Nadia            elke dag           naar school            fietsen?
Heeft           Maria            om 3 uur          een appel              gegeten?
Heeft           Jasim            vandaag         mooie dieren        getekend?
werkwoord

Slide 6 - Slide

Maak zelf een vraag zin met :

Persoonsvorm - Wie - Wanneer - Rest - Werkwoord?

Slide 7 - Open question

Twee zinnen met het voegwoord:
maar, want, dus, of, en

Slide 8 - Slide

Samengestelde zin
Een samengestelde zin: 

1. heeft twee werkwoorden (twee persoonsvormen) > Ik ben blij, want ze zon schijnt.

2. bestaat uit een zin met twee hoofdzinnen > Ik ga naar huis, want ik ben ziek.
Bij twee hoofdzinnen, zijn beide zinnen even belangrijk.

3. bestaat uit een zin met een hoofdzin en een bijzin > ik ga met de fiets, als jij de auto neemt.
Bij een hoofdzin en een bijzin, is de hoofdzin belangrijker dan de bijzin.

Slide 9 - Slide

In een samengestelde zin staat altijd een voegwoord.
1. Wat is een voegwoord?
2. Geef 3 voorbeelden.

Slide 10 - Mind map

Voegwoord = conjunction
Vijf belangrijke voegwoorden
Maar = but
En = and
Dus = so
Of = or
Want = because

Woordvolgorde = woordvolgorde

Slide 11 - Slide

Voegwoord = conjunction
Ik eet geen pasta, maar ik eet pizza.
I don't eat pasta, but I eat pizza.

Hij houdt van ijs en hij houdt van taart.
He likes ice cream and he likes cake.

Ik ben ziek dus ik ga naar huis.
I am sick so I will go home.

Slide 12 - Slide

Voegwoord = conjunction
Wij gaan morgen naar het bos of wij gaan morgen naar de zee.

We will go to the forest or we will go to the sea.

Zij eten geen vlees, want zij zijn vegetarisch.
They don't eat meat, because they are vegetarian.

M-E-D-O-W

Slide 13 - Slide

Onderdeel 1
Welk woord past in de zin?

Slide 14 - Slide

1. Ik wil graag verhuizen, want / maar ik wil een huis met een tuin.
A
want
B
maar

Slide 15 - Quiz

2. Ik ga in het weekend soms fietsen en / dus ik ga ook vaak wandelen.
A
en
B
dus

Slide 16 - Quiz

3. Ik sta in de file, want / dus ik kom te laat op mijn werk.
A
want
B
dus

Slide 17 - Quiz

4. Mijn opa is 81 en / of mijn oma is 79 jaar.
A
en
B
of

Slide 18 - Quiz

5. Ik ga met de bus, want / maar onze auto is kapot.
A
want
B
maar

Slide 19 - Quiz

6. Ik wil met de fiets naar mijn werk, dus / maar mijn fiets is kapot.
A
dus
B
maar

Slide 20 - Quiz

7. Ga je op de fiets en / of ga je liever met de bus?
A
en
B
of

Slide 21 - Quiz

8. Mijn tante is ziek, dus / want ze neemt medicijnen.
A
dus
B
want

Slide 22 - Quiz

Onderdeel 2
Kies uit: en - want - maar - dus - of

Slide 23 - Slide

1. Ik heb een mooi nieuw huis, ____ ik ben heel blij.
A
en
B
maar
C
want
D
dus

Slide 24 - Quiz

2. Ik wil graag een nieuwe keuken, ____ ik heb geen geld.
A
of
B
maar
C
en
D
dus

Slide 25 - Quiz

3. De woonkamer is ruim, ____ we hebben twee slaapkamers.
A
en
B
dus
C
want
D
maar

Slide 26 - Quiz

4. De flat ligt op het noorden, ____ het is niet zo licht binnen.
A
en
B
maar
C
want
D
dus

Slide 27 - Quiz

5. Er is een bushalte dichtbij, ____ ik ga meestal met de fiets naar mijn werk.
A
en
B
maar
C
want
D
dus

Slide 28 - Quiz

6. We hebben geen tuin, ____ we hebben wel een balkon.
A
of
B
dus
C
maar
D
en

Slide 29 - Quiz

7. Ik moet veel werken, ____ er zijn veel zieke collega's.
A
en
B
maar
C
want
D
dus

Slide 30 - Quiz

8. De wijk is rustig, ____ er is een mooi park.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 31 - Quiz

Ik houd van ijs, maar ...... ijs vind ik niet lekker (het ijs)
A
die
B
dit

Slide 32 - Quiz