Waar begint jouw hoofdpersoon (in jouw leesboek): wat is zijn of haar beginpunt? Letterlijk, maar ook figuurlijk (toestand, gevoel, situatie etc.). Hoe ziet zijn of haar gewone wereld eruit?
Ben je (al) een 'roep tot avontuur' tegengekomen?
Schrijf één of twee alinea's die antwoord geven op deze vragen over jouw leesboek. Bewaar dit voor je summatieve opdracht.