Examentraining woordenschat lez/lui

Onderwerp

woordenschat bij examenteksten lezen en luisteren
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 2

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Onderwerp

woordenschat bij examenteksten lezen en luisteren

Slide 1 - Slide

leerdoelen TOA schrijven
Ik weet waar ik deze periode aandacht aan moet geven.

Slide 2 - Slide

leerdoel woordenschat
Ik ken  de betekenis van 10 woorden die vaak in examenvragen voorkomen.
Ik  herken de betekenis van het woord in een examenvraag.

Slide 3 - Slide

Opdracht TOA schrijven
Lees de feedback van de TOA toets schrijven.
Markeer 2 aandachtspunten voor deze periode.
Bedenk bij ieder aandachtspunt één manier om hieraan te werken.

Slide 4 - Slide

Woordenschat
bij examenvragen

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Hoe beschouwt de schrijver de uitkomst van het onderzoek?
A
bekijkt
B
begrijpt
C
legt uit
D
veranderd

Slide 7 - Quiz

Slide 8 - Slide

Hoe beseft de lezer dat er een natuurramp gebeurt?
A
gebruikt
B
beziet
C
veranderd
D
weet

Slide 9 - Quiz

Slide 10 - Slide

Welke toelichting geeft de schrijver op de situatie?
A
signalering
B
begrip
C
uitleg
D
ervaring

Slide 11 - Quiz

Slide 12 - Slide

de schrijver varieert in de voorbeelden.
A
constateert
B
wisselt af
C
begrijpt
D
weet

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Slide

de thuisbezorging verschaft jongeren veel werk.
A
geeft
B
ontvangt
C
veranderd
D
brengt

Slide 15 - Quiz

Slide 16 - Slide

De schrijver constateert dat het milieu achteruit gaat.
A
ervaart
B
neemt waar
C
merkt op
D
observeert

Slide 17 - Quiz

Slide 18 - Slide

De schrijver hanteert verschillende onderzoeken.
A
gebruikt
B
observeert
C
neemt waar
D
begrijpt

Slide 19 - Quiz

Slide 20 - Slide

Je kunt de feiten in de tekst interpreteren.
A
verklaren
B
uitleggen
C
bezien
D
observeren

Slide 21 - Quiz

Slide 22 - Slide

De schrijver ondervindt zelf het nadeel van de corona.
A
bekijkt
B
maakt mee
C
ervaart
D
veranderd

Slide 23 - Quiz

Slide 24 - Slide

Op welke manier profiteren de mensen van het geld?
A
observeren
B
bekijken
C
benutten
D
maken van een voordeel gebruik

Slide 25 - Quiz

opdracht bij woordenschat
Lees de zinnen.
Vul het goede woord in.

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Huiswerk
Leer de woorden.
Volgende week een quiz.

Slide 28 - Slide

Huiswerk lezen

Lees de examentekst.
Maak de vragen.

Slide 29 - Slide