Verpleegtechnisch rekenen 1: concentratie in %

Oplossingen en injectiesommen
1 / 19
next
Slide 1: Slide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Oplossingen en injectiesommen

Slide 1 - Slide

Doelen
Aan het eind van de les kun je:

- Eenvoudige medicatiesommen maken met concentraties 
   aangeduid in %.

Slide 2 - Slide

Programma
- Herhalen van de basisinformatie
- Uitleg nieuwe sommen
- Samen oefenen
- Zelfstandig oefenen en samen oefenen

Tip: zorg dat je kladpapier, een pen, een rekenmachine en het formuleblad bij de hand hebt!

Slide 3 - Slide

Hoe zat het ook alweer?
V:A x 1ml

Deel het voorschrift van de arts door het aantal mg medicatie (in 1 ml)

Slide 4 - Slide

Basisinformatie
- Soms kant en klaar
- Soms eerst oplossen in water voor injectie of fysiologisch  
   zout (NaCl). Je maakt dan eerst de oplossing en       
   rekent daarna uit hoeveel je moet injecteren.
- De sterkte (concentratie) wordt aangeduid in %, mg/ml of IE.

- Herinnering: 1 gram (gr) = 1000 milligram (mg).
- Formule: V : A x 1ml

Slide 5 - Slide

Concentratie met een % aanduiding
- De sterkte/concentratie van het medicijn wordt aangegeven in een  
   procentgetal. Bijvoorbeeld: 2% morfineoplossing.
- Uit het procentgetal blijkt hoeveel gram medicijn er is opgelost in 100 ml 
   oplossing.
- Bijvoorbeeld: 2% morfineoplossing = er zit 2 gr van de stof morfine 
   opgelost  in 100 ml vloeistof.

Slide 6 - Slide

Onthouden
  • 1%  = 1 gram per 100 ml         
  • 2% = 2 gram per 100 ml
  • etc.

Medicatie wordt meestal niet in gr. voorgeschreven maar in mg.
We gaan daarom uit van het aantal mg medicatie in 1 ml van de oplossing.



Slide 7 - Slide

De formule
10 x % = aantal mg medicijn in 1 ml oplossing

Voorbeeld:
2% morfineoplossing 
10 x 2 = 20 mg in 1 ml


Slide 8 - Slide

Je hebt een oplossing van 4%
Hoeveel gr medicijn zit er in 100 ml oplossing?

Slide 9 - Open question

Antwoord
Uit het procent getal blijkt hoeveel gr medicijn er is opgelost in 100 ml oplossing. 

In een oplossing van 4% zit dus 4 gr medicijn per 100 ml.
Het goede antwoord is dus: 4 gr

Slide 10 - Slide

Je hebt een oplossing van 4%
Hoeveel mg medicijn zit er in 1 ml oplossing?
Pas nu de formule toe
(10x % = aantal mg in 1 ml oplossing)

Slide 11 - Open question

Antwoord
De formule is: 10 x % = aantal mg in 1 ml oplossing
Dus het goede antwoord is: 10 x 4 = 40 mg in 1 ml

Slide 12 - Slide

Je hebt een oplossing van 30%
Hoeveel mg medicijn zit er in 1 ml oplossing?

Slide 13 - Open question

Antwoord
De formule is: 10 x % = aantal mg in 1 ml oplossing
Dus het goede antwoord is: 10 x 30 = 300 mg in 1 ml

Slide 14 - Slide

Hoeveel ml moet je injecteren?
Stappen:

1. 10 x  % = aantal mg in 1 ml oplossing 
2. V : A x 1 ml (Voorschrift : Aanwezig)

Slide 15 - Slide

Voorbeeld
De huisarts schrijft mw. de Boer 10 mg morfine voor
Je hebt een 2% morfineoplossing in de medicatiekluis
Hoeveel ml moet je injecteren?

- Wat is het voorschrift? 10 mg (V)
- Hoeveel mg is er aanwezig per ml? 10 x 2 = 20 mg per ml (A)
- V : A x 1 ml: 10 mg : 20 mg/ml = 0,5 ml injecteren

Slide 16 - Slide

Aanwezig: een Pethidineoplossing van 5 %.
De zorgvrager moet 60 mg hebben.
Hoeveel ml geef je?

Slide 17 - Open question

Antwoord
Aanwezig: een Pethidineoplossing van 5 %.
 
De zorgvrager moet 60 mg hebben. Hoeveel ml geef je?

Wat is het voorschrift? 60 mg  (V)
Hoeveel is er aanwezig per ml? 10 x 5 = 50 mg per ml (A)
V : A x 1 ml: 60 mg : 50 mg/ml = 1,2 ml 

Slide 18 - Slide

Zelf aan de slag!
Maak het werkblad (zie mail)
Kijk eventueel de kennisclip (zie mail)
Noteer berekening én antwoord
Mail mij de uitwerking vóór de volgende les!
Om 10.50 uur samen afsluiten in Algemeen

Slide 19 - Slide