This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 80 min
Items in this lesson
Wat is winst?
§1.2
Slide 1 - Slide
Programma
Introductie, spullen gereed, absenten (5 min)
Huiswerk nakijken/bespreken (5 min)
Herhalende Quiz (5 min)
Uitleg, oefenen, bespreken (20 min)
Uitleg, opdracht, bespreken (20 min)
Huiswerk (20 min)
Afsluiting (5 min)
Slide 2 - Slide
Slide 3 - Slide
Hoe heet de prijs van een product die je in de winkel koopt?
A
Verkoopprijs
B
Verkoopprijs exclusief btw
C
Verkoopprijs inclusief btw
D
Inkoopprijs
Slide 4 - Quiz
De verkoopprijs exclusief btw noemen we ook wel ...
A
De verkoopprijs
B
De winkelprijs
C
Consumentenprijs
D
Inkoopprijs
Slide 5 - Quiz
Een regular fles cola kost €1,89 in de winkel. De btw op voedingsmiddelen bedraagt 9%. Welk bedrag mag de winkel houden? Laat je berekening zien.
Slide 6 - Open question
Een paar Clarks kosten in de winkel €149,95. Welk btw bedrag zal er op de kassabon staan als je een paar hebt gekocht? Het btw tarief voor schoenen is 21%
Slide 7 - Open question
Aantal stuks dat is verkocht noem je...
A
Afzet
B
Omzet
C
Verkoopopbrengst
D
Toegevoegde waarde
Slide 8 - Quiz
De verkoopprijs van een product is €20. Op maandag was de afzet van dat product 50. Hoeveel bedroeg op maandag de omzet?
Slide 9 - Open question
Je weet nu ...
De verkooprijs van een schoen (100%)= €120
De btw (21%) = €24,00
De verkoopprijs inclusief btw (121%) = €144,00
en
Als er 50 stuks worden verkocht is de omzet
50 x 120 = €6000
Dit is nog geen winst, want er gaat nog vanaf...
Slide 10 - Slide
De inkoopwaarde
De inkoopwaarde is het geld dat is betaald voor het inkopen van de producten.
Voorbeeld:
Inkoopprijs schoenen = €65
Er worden 50schoenen verkocht, die zijn ook eerst ingekocht
Hoeveel is daarvoor betaald? 50 x 65 = 3250
Slide 11 - Slide
De Brutowinst
Voorbeeld:
verkoopprijs schoenen = €120
Inkoopprijs schoenen = €65
Er worden 50 schoenen verkocht, die zijn ook eerst ingekocht
Hoeveel is daarvoor betaald? 50 x 65 = 3250
De omzet was 6000 (wat de schoenen hebben opgeleverd)
De inkoopwaarde is 3250
Omzet - inkoopwaarde = brutowinst
6000 - 3250 = brutowinst
Slide 12 - Slide
Opdracht
Wat: Maak opdracht 4 en 5 blz. 13
Tijd: 8 minuten
Hulp: Overleggen en vragen stellen mag
Resultaat: antwoorden komen op het whiteboard
Klaar: begin alvast met het huiswerk opdracht 9, 10 en 11 blz 14
timer
8:00
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
Opdracht
Wat: Maak de 3 stipopdrachten én deze tabel op
blz. 35
Tijd: 8 minuten
Hulp: Overleggen en vragen stellen mag
Resultaat: antwoorden komen op het whiteboard
Klaar: ga verder met opdracht 9, 10 en 11 (huiswerk)
timer
10:00
Slide 15 - Slide
Slide 16 - Slide
Nettowinst (§1.3)
Inkoopprijs = 65
Verkoopprijs = 120
Aantal verkocht = 50
Omzet = 50 x 120 = 6000
Inkoopwaarde = 3250
Brutowinst = 6000 - 3250 = 2750
Dit is nog steeds geen winst, want je moet hier nog van betalen...
Slide 17 - Slide
Bedrijfskosten
Bedrijfskosten zijn alle kosten die je maakt als bedrijf, bijvoorbeeld:
Huurkosten
Personeelskosten
Machines
Verzekeringen
Volgende les gaan we dieper in op verschillende bedrijfskosten. We gaan nu wel de nettowinst uitrekenen!
Slide 18 - Slide
Nettowinst
Nettowinst is wat je echt overhoudt aan het verkopen van jouw producten of diensten
Omzet = 6000
Inkoopwaarde = 3250
Brutowinst = 6000 - 3250 = 2750
Voorbeeld. Alle bedrijfskosten samen = 1000
De nettowinst is dan 2750 - 1000 = 1750
Slide 19 - Slide
Netto resultaat
Als er meer kosten zijn dan omzet, is er geen winst, maar verlies.
We spreken daarom liever over een bedrijfsresultaat
Voorbeeld:
omzet = 4000
Bedrijfskosten samen = 5000
Bedrijfsresultaat = 4000 - 5000 = -1000
Omdat het resultaat negatief is spreken we over een verlies