Fictie ruimte en tijd

Fictie hoofdstuk 1
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Fictie hoofdstuk 1

Slide 1 - Slide

Wat is fictie?
Verhalen die je willen vermaken door spannende, romantische, droevige, griezelige of grappige gebeurtenissen. Ze nemen je mee naar een niet bestaande wereld of naar een andere tijd. Die verzonnen gebeurtenissen noem je fictie. 
Fictie is dus niet echt gebeurd. 

Slide 2 - Slide

spannende verhalen

Slide 3 - Slide

Een spannend verhaal heeft als tekstdoel
A
adviseren
B
vermaken
C
instrueren
D
informeren

Slide 4 - Quiz

Een cliffhanger is een manier om spanning te krijgen in een verhaal.
A
juist
B
onjuist

Slide 5 - Quiz

Zorgt het tijdstip voor meer spanning in het verhaal?
A
ja
B
nee

Slide 6 - Quiz

Hoe kan een verhaal eindigen als het veel spanning moet opwekken?
A
Met een gesloten einde
B
Met een open einde
C
Met een epiloog

Slide 7 - Quiz

Chronologie

Een verhaal noem je chronologisch als de gebeurtenissen in het verhaal worden verteld in de volgorde zoals ze zich in werkelijkheid ook hadden afgespeeld.


Slide 8 - Slide

 Flashback en Flashforward

Wanneer een personage terugblikt of vooruitblikt op een gebeurtenis spreek je van een flashback of flash-forward/vooruitwijzing. De gebeurtenis onderbreekt de loop van het verhaal. 




Slide 9 - Slide

Voorbeeld flashback

"Twaalf jaar geleden is dokter Hogenstijn met een experimenteel onderzoek begonnen in opdracht van de regering. Het was een onderzoek naar DNA-manipulatie. Het doel was het integreren van gemodificeerd DNA-materiaal en computerhardware. Kunstmatige intelligentie. Nu, na twaalf jaar is dit doel bereikt. Dokter Hogenstijn heeft een monster geschapen." 

Slide 10 - Slide

Fictie is
A
Alles wat verzonnen is
B
Alles wat niet verzonnen is.

Slide 11 - Quiz

Wat is fictie?

A
een krantenartikel
B
het boek 'Spijt' van Carry Slee
C
het dagboek van Anne Frank
D
de methode: 'Nieuw Nederlands'

Slide 12 - Quiz

Fictie perron 2

Slide 13 - Slide

Personages in verhalen
Er zijn in verhalen verschillende soorten personages:
1. hoofdpersoon
2. bijpersoon
3. achtergrondpersoon
Je kunt over die personen iets vertellen over hun uiterlijk en over hun innerlijk. Soms vertelt het personage er zelf iets over en soms doen andere personages of de schrijver dit.

Slide 14 - Slide

Een personage is?
A
Een tekenaar van een verhaal.
B
Een dier in een fabel.
C
Een schrijver van een verhaal.
D
Een persoon in een verhaal.

Slide 15 - Quiz

Bijfiguur
A
Alle dieren die voorkomen in het verhaal
B
Rol die minder op de voorgrond is
C
Belangrijkste persoon in het verhaal

Slide 16 - Quiz

De hoofdpersoon is
A
de minst belangrijke persoon in een verhaal
B
de belangrijkste persoon in een verhaal
C
degene die vluchtig voorbijkomt in het verhaal

Slide 17 - Quiz

Wat is een flashback?
A
Een gebeurtenis wordt op chronologische volgorde verteld.
B
Er wordt een sprong vooruit in de tijd gemaakt.
C
Er wordt een sprong terug in de tijd gemaakt.

Slide 18 - Quiz

Met een flashback kan het verhaal..............worden.
A
niet-chronologisch.
B
chronologisch.

Slide 19 - Quiz

Bij een flash forward wordt even teruggekeken in het verleden.
A
juist
B
onjuist

Slide 20 - Quiz

Flashbacks en flash forwards helpen om te begrijpen in welke volgorde dingen zijn gebeurd.
A
waar
B
niet waar

Slide 21 - Quiz

Hoe noem je het als de schrijver al vast iets vertelt over wat er in de toekomst gaat gebeuren maar wat de (hoofd)personen in het verhaal zelf nog niet kunnen weten ?
A
flashback
B
flash forward
C
cliffhanger
D
chronologisch

Slide 22 - Quiz

plaats
Om een verhaal goed te begrijpen, is het belangrijk om de plaats te weten waar het verhaal zich afspeelt.
  • Het kan de spanning verhogen.
  • Een uitgebreide beschrijving zorgt voor tijdvertraging.
  • De lezer krijgt een goed beeld van het verhaal.
  • Het kan iets vertellen over de hoofdpersoon.
  • Het kan iets vertellen over de tijd waarin het zich afspeelt.

Slide 23 - Slide

Beschrijving van de plaats waarin het verhaal zich afspeelt is belangrijk, want
A
een spannende plek verhoogt de spanning
B
de lezer kan zich beter inleven door een goed beeld
C
de plaats kan iets vertellen over de tijd waarin het verhaal speelt
D
de plaats kan iets vertellen over de hoofdpersoon

Slide 24 - Quiz

Waarom wordt de plaats waar het verhaal zich afspeelt vaak duidelijk beschreven?
A
Het werkt vaak tijdvertragend.
B
De plaats zegt vaak iets over de tijd waarin het speelt
C
Je krijgt een goed beeld van de omgeving.
D
De schrijver wil graag veel bladzijden vullen.

Slide 25 - Quiz

Wat is hier GEEN voorbeeld van plaats in een verhaal?
A
Prehistorie
B
School
C
Stad
D
Italië

Slide 26 - Quiz

Slide 27 - Slide

Ga verder met jouw eigen planner.

Slide 28 - Slide

Belangrijk uit perron 1 en 2
  • kenmerken detective
  • kenmerken thriller
  • Hoe maakt een schrijver een verhaal spannend?
  • Spelen met tijd (flashback, flash forward, tijd versnellen, tijd vertragen) 
  • soorten personages
  • beschrijving personages (innerlijk en uiterlijk)
  • chronologie
  • plaats

Slide 29 - Slide