Herhalen Regeling, Waarneming

Herhalen Regeling, Waarneming 
1 / 34
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Herhalen Regeling, Waarneming 

Slide 1 - Slide

Wat is homeostase?
A
Een ander woord voor thermostaat
B
Een chemisch signaal
C
Balans in een organisme
D
De samenwerking tussen het hormoon- en zenuwstelsel

Slide 2 - Quiz

Wat is de functie van hormonen?
A
Aanmaken van glucose
B
Regelen van processen in het lichaam
C
Afvoeren van afvalstoffen
D
Opnemen van voedingsstoffen

Slide 3 - Quiz


glucose glycogeen
A
rood = glucagon paars = insuline
B
rood = ADH paars = insuline
C
rood = insuline paars = glucagon
D
rood = insuline paars = oxytocine

Slide 4 - Quiz

Wat is het verschil tussen een sensorische en motorische zenuwvezel?
A
Sensorisch: zintuigen naar CZS. Motorisch: CZS naar spieren en klieren
B
Sensorisch: in de hersenen, motorisch: in het ruggenmerg
C
Een sensorische zenuwvezel is dunner dan een motorische zenuwvezel.
D
Een sensorische zenuwvezel heeft een andere kleur dan een motorische zenuwvezel.

Slide 5 - Quiz

Wat is de functie van dendrieten?
A
Het doorgeven van informatie aan spiercellen
B
Het opslaan van informatie.
C
Het doorgeven van informatie aan andere zenuwcellen.
D
Het ontvangen van informatie van andere zenuwcellen.

Slide 6 - Quiz

Wat gebeurt er als een impuls de synaps bereikt?
A
Het elektrische signaal gaat direct naar de volgende cel
B
De impuls wordt gestopt en gaat niet verder.
C
De impuls wordt omgezet in een hormoon.
D
Het elektrische signaal wordt omgezet in een chemisch signaal

Slide 7 - Quiz

In het lichaam liggen drie typen zenuwcellen. Bij een van deze typen zenuwcellen horen de volgende kenmerken:
– deze zenuwcellen geleiden de impulsen van de ene zenuwcel naar de andere;
– uitlopers van deze cellen zijn verbonden met andere zenuwcellen.
Bij welk type zenuwcellen horen de kenmerken?
A
bij bewegingszenuwcellen
B
bij gevoelszenuwcellen
C
bij schakelzenuwcellen

Slide 8 - Quiz

Ruggenmerg

In afbeelding hiernaast zie je een doorsnede van het ruggenmerg.

Bij welk punt komt een impuls die ontstaat in een spierspoeltje van de rechterbiceps aan in het ruggenmerg?

A
Bij punt 1
B
Bij punt 2
C
Bij punt 3
D
Bij punt 4

Slide 9 - Quiz

De reflexboog van je knie reflex gaat via ....
A
het ruggenmerg
B
de hersenstam
C
de kleine hersenen
D
de grote hersenen

Slide 10 - Quiz

wat is het parasympatische zenuwstelsel?
A
het bewuste zenuwstelsel
B
dit is actief als het individu actief is
C
dit is actief als het individu in rust is
D
het onbewuste animale zenuwstelsel

Slide 11 - Quiz

Als een prikkel sterker wordt, wat gebeurt er dan met
a) de impulssterkte
b) de impulsfrequentie?

A
a) wordt groter b) blijft gelijk
B
a) wordt groter b) wordt groter
C
a) blijft gelijk b) neemt toe
D
a) blijft gelijk b) neemt af

Slide 12 - Quiz

Wat zijn antagonisten in spieren?
A
Dat zijn spiervezels
B
Spieren die tegenovergestelde bewegingen uitvoeren
C
Spieren die samenwerken bij een beweging
D
Spieren die hetzelfde doen

Slide 13 - Quiz

Wat gebeurt er tijdens spiersamentrekking?
A
Myosine en actine glijden uit elkaar
B
Myosine en actine glijden langs elkaar
C
Myosine en actine gaan de cel uit
D
Myosine en actine smelten samen

Slide 14 - Quiz

Wat gebeurt er in een zintuigcel?
A
Schakelcellen geven signalen aan elkaar door
B
Prikkels worden omgezet in impulsen
C
Impulsen worden omgezet in prikkels
D
Vangt alleen prikkels op

Slide 15 - Quiz

Stefan wordt op zijn rug getikt. In reactie daarop draait hij zich om. Welke zenuwcellen zijn betrokken?
A
Alleen schakelcellen
B
schakelcellen en sensorische zenuwcellen
C
sensorische en motorische zenuwcellen
D
sensorische, motorische, en schakelcellen

Slide 16 - Quiz

Waar zit het cellichaam (met de celkern) van een sensorische zenuwcel? en een motorische?
A
sensorisch: bij zintuig motorisch: bij spieren
B
sensorisch: bij ruggenmerg motorisch: in ruggenmerg
C
sensorisch: in ruggenmerg motorisch: bij ruggenmerg
D
sensorisch: bij zintuig motorisch: bij zintuig

Slide 17 - Quiz

Enkele bloedvaten in het lichaam van een mens zijn: 1. halsader 2. halsslagader 3. beenader 4. beenslagader In welke van deze bloedvaten komt insuline voor?
A
halsader en beenader
B
halsslagader en beenslagader
C
geen enkel bloedvat
D
alle bloedvaten

Slide 18 - Quiz

Wat is een adequate prikkel?
Wat is een adequate prikkel
A
Invloed van buitenaf voor een bepaald zintuig
B
Hetzelfde als een impuls
C
Een signaal van zintuig naar hersenen
D
Meerdere prikkels bij elkaar

Slide 19 - Quiz

Wat is een adequate prikkel?
Welke adequate prikkel klopt?
A
Smaakstoffen voor je reukzintuig
B
Licht voor je gehoorzintuig
C
Iets met hoge temperatuur voor je warmtezintuigen
D
Geurstoffen voor je lichtzintuig

Slide 20 - Quiz

voor een niet adequate prikkel is de de prikkeldrempel lager dan voor een adequate prikkel
A
waar
B
niet waar

Slide 21 - Quiz

Welke zintuigcel is het gevoeligst voor een bepaalde prikkel?

A
Zintuigcel met hoge drempelwaarde
B
Zintuigcel met lage drempelwaarde

Slide 22 - Quiz

Welke beweringen zijn ONJUIST?
1. Er bestaan vele verschillende typen impulsen, maar prikkels zijn altijd gelijk.
2. Geluid is voor het gehoorzintuig een adequate prikkel.
3. De drempelwaarde voor een zintuig is altijd dezelfde.
4. Een zachter geluid leidt tot een hogere impulsfrequentie in de gehoorzenuwen dan een harder geluid.
A
allemaal
B
1 , 2 en 3
C
2, 3 en 4
D
1, 3 en 4

Slide 23 - Quiz

Welke zintuigcellen liggen in de blinde vlek en welke vooral in de gele vlek?
A
Gele vlek: kegeltjes Blinde vlek: staafjes
B
Gele vlek: staafjes Blinde vlek: geen
C
Gele vlek: kegeltjes Blinde vlek: geen
D
Gele vlek: geen Blinde vlek: staafjes

Slide 24 - Quiz

Pietertje loopt in de schemering. Welke zintuigcellen werken?
A
Kegeltjes en staafjes
B
alleen de kegeltjes
C
alleen de staafjes
D
geen kegeltjes en geen staafjes

Slide 25 - Quiz

In je oog gaat het licht achtereenvolgens door:
A
Pupil - hoornvlies - lens - glasachtig lichaam - netvlies
B
Hoornvlies - lens - pupil - glasachtig lichaam - netvlies
C
Hoornvlies - pupil - lens - glasachtig lichaam - netvlies
D
Hoornvlies - pupil - lens - netvlies - glasachtig lichaam

Slide 26 - Quiz

De lens van het oog kan van vorm veranderen (accomoderen).
Marieke kijkt naar een kaars in de verte, welke "vorm" hebben haar lensbandjes en haar lens?
A
lensbandjes: strak lens: bol
B
lensbandjes: strak lens: plat
C
lensbandjes: slap lens: plat
D
lensbandjes: slap lens: bol

Slide 27 - Quiz

In welke situatie ontspannen de straalsgewijs lopende spieren in je oog zich?
A
Als iemand een bal naar je hoofd gooit.
B
Als je een donkere ruimte in komt lopen.
C
Als je tegen de zon in probeert te kijken.

Slide 28 - Quiz

Waardoor kun je
diepte zien?
A
Doordat je pupillen groter of kleiner kunnen worden.
B
Doordat je ooglens platter of boller kan worden.
C
Doordat je met je linkeroog een iets ander beeld ziet dan met je rechteroog.
D
Doordat het beeld op je netvlies kleiner, onderste boven en gespiegeld is.

Slide 29 - Quiz

Klaas heeft geen werkend linker visueel centrum meer. Wat zal hij nog zien?
A
Hij ziet zijn hele gezichtsveld nog
B
Hij ziet niks meer
C
Hij ziet alleen zijn linker gezichtsveld nog
D
Hij ziet alleen zijn rechter gezichtsveld nog

Slide 30 - Quiz

Het valt Sietse op dat hij in het donker beter een object kan zien als hij er vlak naast kijkt, dan wanneer hij er direct naar kijkt. Hoe kan dat?
A
Dan valt het licht op de gele vlek en daarmee zie je het best in het donker
B
Dan valt het licht op de staafjes naast de gele vlek, en staafjes werken nog bij weinig licht
C
Dan valt het licht op de kegeltjes naast de gele vlek, en kegeltjes werken nog bij weinig licht
D
Dan valt het licht op de kegeltjes en die kunnen goed kleur onderscheiden in het donker

Slide 31 - Quiz

Wat voor lens heb je nodig als je bijziend bent?
A
negatief
B
positief

Slide 32 - Quiz

Als het brandpunt voor de gele vlek valt ben je dan bijziend of verziend? En heb je dan een holle of een bolle lens nodig om dit te corrigeren?
A
Bijziend, bolle lens
B
Bijziend, holle lens
C
Verziend, bolle lens
D
Verziend, holle lens

Slide 33 - Quiz

Wat is de oorzaak van bijziend zijn?
A
B

Slide 34 - Quiz