This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slide.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Herhalen Regeling, Waarneming en Gedrag
Slide 1 - Slide
Wat is homeostase?
A
Een ander woord voor thermostaat
B
Een chemisch signaal
C
Balans in een organisme
D
De samenwerking tussen het hormoon- en zenuwstelsel
Slide 2 - Quiz
Wat is de functie van hormonen?
A
Aanmaken van glucose
B
Regelen van processen in het lichaam
C
Afvoeren van afvalstoffen
D
Opnemen van voedingsstoffen
Slide 3 - Quiz
glucose glycogeen
A
rood = glucagon
paars = insuline
B
rood = ADH
paars = insuline
C
rood = insuline
paars = glucagon
D
rood = insuline
paars = oxytocine
Slide 4 - Quiz
Wat is het verschil tussen een sensorische en motorische zenuwvezel?
A
Sensorisch: zintuigen naar CZS. Motorisch: CZS naar spieren en klieren
B
Sensorisch: in de hersenen, motorisch: in het ruggenmerg
C
Een sensorische zenuwvezel is dunner dan een motorische zenuwvezel.
D
Een sensorische zenuwvezel heeft een andere kleur dan een motorische zenuwvezel.
Slide 5 - Quiz
Wat is de functie van dendrieten?
A
Het doorgeven van informatie aan spiercellen
B
Het opslaan van informatie.
C
Het doorgeven van informatie aan andere zenuwcellen.
D
Het ontvangen van informatie van andere zenuwcellen.
Slide 6 - Quiz
Wat gebeurt er als een impuls de synaps bereikt?
A
Het elektrische signaal gaat direct naar de volgende cel
B
De impuls wordt gestopt en gaat niet verder.
C
De impuls wordt omgezet in een hormoon.
D
Het elektrische signaal wordt omgezet in een chemisch signaal
Slide 7 - Quiz
In het lichaam liggen drie typen zenuwcellen. Bij een van deze typen zenuwcellen horen de volgende kenmerken: – deze zenuwcellen geleiden de impulsen van de ene zenuwcel naar de andere; – uitlopers van deze cellen zijn verbonden met andere zenuwcellen. Bij welk type zenuwcellen horen de kenmerken?
A
bij bewegingszenuwcellen
B
bij gevoelszenuwcellen
C
bij schakelzenuwcellen
Slide 8 - Quiz
Ruggenmerg
In afbeelding hiernaast zie je een doorsnede van het ruggenmerg.
Bij welk punt komt een impuls die ontstaat in een spierspoeltje van de rechterbiceps aan in het ruggenmerg?
A
Bij punt 1
B
Bij punt 2
C
Bij punt 3
D
Bij punt 4
Slide 9 - Quiz
De reflexboog van je knie reflex gaat via ....
A
het ruggenmerg
B
de hersenstam
C
de kleine hersenen
D
de grote hersenen
Slide 10 - Quiz
wat is het parasympatische zenuwstelsel?
A
het bewuste zenuwstelsel
B
dit is actief als het individu actief is
C
dit is actief als het individu in rust is
D
het onbewuste animale zenuwstelsel
Slide 11 - Quiz
Als een prikkel sterker wordt, wat gebeurt er dan met a) de impulssterkte b) de impulsfrequentie?
A
a) wordt groter
b) blijft gelijk
B
a) wordt groter
b) wordt groter
C
a) blijft gelijk
b) wordt groter
D
a) blijft gelijk
b) wordt kleiner
Slide 12 - Quiz
Wat zijn antagonisten in spieren?
A
Dat zijn spiervezels
B
Spieren die tegenovergestelde bewegingen uitvoeren
C
Spieren die samenwerken bij een beweging
D
Spieren die hetzelfde doen
Slide 13 - Quiz
Wat gebeurt er tijdens spiersamentrekking?
A
Myosine en actine glijden uit elkaar
B
Myosine en actine glijden langs elkaar
C
Myosine en actine gaan de cel uit
D
Myosine en actine smelten samen
Slide 14 - Quiz
Wat gebeurt er in een zintuigcel?
A
Schakelcellen geven signalen aan elkaar door
B
Prikkels worden omgezet in impulsen
C
Impulsen worden omgezet in prikkels
D
Vangt alleen prikkels op
Slide 15 - Quiz
Stefan wordt op zijn rug getikt. In reactie daarop draait hij zich om. Welke zenuwcellen zijn betrokken?
A
Alleen schakelcellen
B
schakelcellen en sensorische zenuwcellen
C
sensorische en motorische zenuwcellen
D
sensorische, motorische, en schakelcellen
Slide 16 - Quiz
Waar zit het cellichaam (met de celkern) van een sensorische zenuwcel? en een motorische?
A
sensorisch: bij zintuig
motorisch: bij spieren
B
sensorisch: bij ruggenmerg
motorisch: in ruggenmerg
C
sensorisch: in ruggenmerg
motorisch: bij ruggenmerg
D
sensorisch: bij zintuig
motorisch: bij zintuig
Slide 17 - Quiz
Enkele bloedvaten in het lichaam van een mens zijn: 1. halsader 2. halsslagader 3. beenader 4. beenslagader In welke van deze bloedvaten komt insuline voor?
A
halsader en beenader
B
halsslagader en beenslagader
C
geen enkel bloedvat
D
alle bloedvaten
Slide 18 - Quiz
Wat is een adequate prikkel?
Wat is een adequate prikkel
A
Invloed van buitenaf voor een bepaald zintuig
B
Hetzelfde als een impuls
C
Een signaal van zintuig naar hersenen
D
Meerdere prikkels bij elkaar
Slide 19 - Quiz
Welke zintuigcel is het gevoeligst voor een bepaalde prikkel?
A
Zintuigcel met hoge drempelwaarde
B
Zintuigcel met lage drempelwaarde
Slide 20 - Quiz
Welke beweringen zijn ONJUIST? 1. Er bestaan vele verschillende typen impulsen, maar prikkels zijn altijd gelijk. 2. Geluid is voor het gehoorzintuig een adequate prikkel. 3. De drempelwaarde voor een zintuig is altijd dezelfde. 4. Een zachter geluid leidt tot een hogere impulsfrequentie in de gehoorzenuwen dan een harder geluid.
A
allemaal
B
1 , 2 en 3
C
2, 3 en 4
D
1, 3 en 4
Slide 21 - Quiz
Welke zintuigcellen liggen in de blinde vlek en welke vooral in de gele vlek?
A
Gele vlek: kegeltjes
Blinde vlek: staafjes
B
Gele vlek: staafjes
Blinde vlek: geen
C
Gele vlek: kegeltjes
Blinde vlek: geen
D
Gele vlek: geen
Blinde vlek: staafjes
Slide 22 - Quiz
Pietertje loopt in de schemering. Welke zintuigcellen werken?
De lens van het oog kan van vorm veranderen (accomoderen). Marieke kijkt naar een kaars in de verte, welke "vorm" hebben haar lensbandjes en haar lens?
A
lensbandjes: strak
lens: bol
B
lensbandjes: strak
lens: plat
C
lensbandjes: slap
lens: plat
D
lensbandjes: slap
lens: bol
Slide 25 - Quiz
In welke situatie ontspannen de straalsgewijs lopende spieren in je oog zich?
A
Als iemand een bal naar je hoofd gooit.
B
Als je een donkere ruimte in komt lopen.
C
Als je tegen de zon in probeert te kijken.
Slide 26 - Quiz
Waardoor kun je diepte zien?
A
Doordat je pupillen groter
of kleiner kunnen worden.
B
Doordat je ooglens platter
of boller kan worden.
C
Doordat je met je linkeroog een iets ander beeld ziet dan met je rechteroog.
D
Doordat het beeld op je netvlies kleiner, onderste boven en gespiegeld is.
Slide 27 - Quiz
Klaas heeft geen werkend linker visueel centrum meer. Wat zal hij nog zien?
A
Hij ziet zijn hele gezichtsveld nog
B
Hij ziet niks meer
C
Hij ziet alleen zijn linker gezichtsveld nog
D
Hij ziet alleen zijn rechter gezichtsveld nog
Slide 28 - Quiz
Het valt Sietse op dat hij in het donker beter een object kan zien als hij er vlak naast kijkt, dan wanneer hij er direct naar kijkt. Hoe kan dat?
A
Dan valt het licht op de gele vlek en daarmee zie je het best in het donker
B
Dan valt het licht op de staafjes naast de gele vlek, en staafjes werken nog bij weinig licht
C
Dan valt het licht op de kegeltjes naast de gele vlek, en kegeltjes werken nog bij weinig licht
D
Dan valt het licht op de kegeltjes en die kunnen goed kleur onderscheiden in het donker
Slide 29 - Quiz
Er zijn haaiensoorten die altijd agressief gedrag vertonen als ze bloed in het water waarnemen. Wat is bloed voor deze haaien op dat moment?
A
een inwendige prikkel
B
een respons
C
een sleutelprikkel
D
een supranormale prikkel
Slide 30 - Quiz
Welke gedragssystemen hebben een conflict bij overspronggedrag van een stekelbaars?
A
dreiggedrag en eetgedrag
B
aanvallen en vluchten
C
dreiggedrag en vluchtgedrag
D
eetgedrag en vluchtgedrag
Slide 31 - Quiz
Wat is een sleutelprikkel?
A
een klein stukje van gedag dat ethologen onderzoeken.
B
een overdreven prikkel die door reclamemakers wordt gebruikt.
C
een prikkel die altijd hetzelfde gedrag oproept.
D
een signaal waarmee een dominant dier aangeeft dat hij de baas is.
Slide 32 - Quiz
Een mus leert dat het geluid van de schoolbel betekent dat er veel broodkruimels op het plein komen te liggen
A
Inzicht
B
Conditioneren
C
Trial and error
D
Imiteren
Slide 33 - Quiz
Deze jonge ganzen zien de man als hun ouder.
Hoe noem je deze manier van leren?
A
Inprenting
B
Gewenning
C
Conditionering
D
Inzichtelijk leren (inzicht)
Slide 34 - Quiz
Elke keer als je een appje krijgt, gooit je kamergenoot een prop tegen je hoofd. Na een tijd duik je vanzelf weg bij het horen van je mobiel. Welk leerproces is dit?
A
Conditionering
B
Trial and error
C
Gewenning
D
Inzicht
Slide 35 - Quiz
Oxfordse onderzoekers werden nieuwsgierig door de waarnemingen van Gavin Hunt. De onderzoekers wilden in hun laboratorium testen of de kraaien echt begrijpen wat ze doen als ze gereedschap gebruiken. Voor de test gebruikten de onderzoekers twee in het wild gevangen Nieuw-Caledonische kraaien, het mannetje Abel en het vrouwtje Betty. Als probleem zetten ze een emmertje voedsel met een hengel in een plastic buis in een waterbad. De kraaien kregen vervolgens de keus tussen een rechte stok en een stok met een haak aan het uiteinde. Na bestudering van de buis met de emmer kozen de kraaien voor het gereedschap met de haak en haalden daarmee feilloos het emmertje uit de buis. Welke vorm van leerproces lijkt hier volgens de tekst op te treden?