Stel je verdient € 9,- per week. Hoeveel verdien je dan per maand?
1 / 21
next
Slide 1: Open question
EconomieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 2
This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Stel je verdient € 9,- per week. Hoeveel verdien je dan per maand?
Slide 1 - Open question
Hoe noem je een lening met een huis als onderpand?
Slide 2 - Open question
Iris gaat een middag winkelen. Ze koopt een gezichtscrème voor € 4,95 en levensmiddelen voor € 32,80. In een restaurant neemt ze een kop koffie met een broodje voor € 5,20. Daarna gaat ze naar de markt om groente en fruit te kopen voor € 12,60. Bereken het bedrag dat ze uitgeeft aan huishoudelijke uitgaven.
Slide 3 - Open question
Sven heeft de volgende soorten incidentele uitgaven: de vervanging van duurzame gebruiksgoederen en de de aankoop van grote aankopen. Noteer welke andere soort incidentele uitgaven er ook nog is.
Slide 4 - Open question
Bas doet de volgende aankopen: een koffiezetapparaat, schoonmaakmiddelen, eten en drinken, snoep en een game. Geef aan welke aankoop de hoogste prioriteit zal hebben. Leg ook uit waarom dat zo is.
Slide 5 - Open question
Thijs spaart voor een gereedschapskoffer met inhoud. Hij kan hiervoor € 23,- per maand opzijleggen. De gereedschapskoffer kost € 115,-. Bereken hoeveel maanden hij moet sparen voor de aankoop.
Slide 6 - Open question
Mevrouw Deen heeft een blijvend tekort. Ze kan dit tekort op verschillende manieren wegwerken. Een voorbeeld hiervan is geld lenen. Maar in reclames wordt vaak gezegd: "Let op! Geld lenen kost geld". Leg uit wat hiermee wordt bedoeld.
Slide 7 - Open question
Iroy heeft een maandinkomen van € 2.000,-. Hij verdeelt zijn inkomsten in budgetten. Bereken hoe groot het budget is voor zijn persoonlijke uitgaven als dit 15% is.
Slide 8 - Open question
De inkomsten in een maand zijn € 2.000,-. De uitgaven die maand zijn: vaste lasten € 700,-, persoonlijke uitgaven € 500,-, incidentele uitgaven € 300,- en huishoudelijke uitgaven € 300,- Bereken hoeveel er overblijft of er tekort is. Geef ook duidelijk aan waar het om gaat.
Slide 9 - Open question
Kayla leent € 7.000,- voor een auto. Ze betaalt voor deze lening 36 maanden lang elke maand € 215,- aan de bank. Bereken hoeveel rente ze na 36 maanden heeft betaald.
Slide 10 - Open question
Romy is klant bij de vier bedrijven hieronder. Bij elk bedrijf heeft ze een andere soort uitgaven. Combineer de bedrijven met de passende soort uitgaven. Sleep ze naar elkaar toe
Incidentele uitgaven
vaste lasten
huishoudelijke uitgaven
persoonlijke uitgaven
Uitgaanscentrum de Korenmolen
Verte gordijnstoffen en tapijten
De echte groenteman
Invita-sportschool
Slide 11 - Drag question
Mevrouw Deen vergist zich wel eens als zij haar uitgaven indeelt bij haar budgetten. Combineer de aankopen voor haar met de juiste budgetten. Sleep ze naar elkaar toe
Incidentele uitgaven
vaste lasten
huishoudelijke uitgaven
persoonlijke uitgaven
kapper
boormachine
brood
huur
Slide 12 - Drag question
Hiernaast zie je de maandelijkse inkomsten en uitgaven van drie gezinnen. Welk gezin kan niet rondkomen van zijn inkomsten?
Gezin
Inkomsten
Uitgaven
Adams
€ 2.000,-
€ 2.000,-
Brink
€ 2.000,-
€ 2.250,-
Castens
€ 2.000,-
€ 1.900,-
A
familie Adams
B
familie Brink
C
familie Castens
D
familie Adams en familie Brink
Slide 13 - Quiz
Romy wil een nieuw horloge en een kaartje voor een concert kopen. Ze heeft te weinig geld voor beide aankopen. Ze gaat prioriteiten stellen. Kies wat ze doet als ze prioriteiten stelt.
A
ze koopt niets
B
ze koopt wat het belangrijkste voor haar is
C
ze koopt wat het goedkoopste is
D
ze koopt wat het duurste is
Slide 14 - Quiz
Geef aan welke aankopen verbruiksgoederen zijn
A
boormachine en boortjes
B
boormachine en zaag
C
zaag en schroevendraaier
D
spijkers en schroeven
Slide 15 - Quiz
Luuk en Caro praten over vaste lasten. Luuk zegt: "vaste lasten keren regelmatig terug." Caro zegt: "vaste lasten zijn elke maand even hoog."
A
Caro heeft gelijk
B
Luuk heeft gelijk
C
Caro en Luuk hebben gelijk
D
ze hebben beiden geen gelijk
Slide 16 - Quiz
Oscar leest de advertentie over opleidingen. Hij geeft zich op. Geef aan bij welk soort uitgaven de kosten van deze opleiding horen.
Met een waardevol diploma betere kansen op een baan!
In september startem er nieuwe computeropleidingen voor het komende jaar.
De lessen zijn op woensdag en kosten € 60,- per maand.
A
de huishoudelijke uitgaven
B
de incidentele uitgaven
C
de vaste lasten
D
de prioriteiten uitgaven
Slide 17 - Quiz
Meneer de Vries bewaakt zijn budgetten. Kies uit wat hij daarvoor moet doen
A
de uitgaven vergelijken met de budgetten
B
zijn budgetten aanpassen aan zijn inkomsten
C
zijn budgetten aanpassen aan zijn uitgaven
D
de inkomsten vergelijken met de budgetten
Slide 18 - Quiz
In goedkope maanden houdt Noa geld over. Wat kan zij het beste doen met het geld dat overblijft?
A
uitgeven aan incidentele uitgaven
B
op haar bankrekening laten staan
C
uitgeven aan leuke dingen
D
schenken aan een goed doel
Slide 19 - Quiz
Het is verstandig om af en toe te budgetteren. Soms is het zelfs noodzakelijk. Geef aan wanneer het noodzakelijk is om te budgetteren.
A
als aankopen uitgesteld worden
B
als je in een dure maand een keer geld opneemt van je spaarrekening
C
bij een blijvend tekort
D
bij een blijvend overschot
Slide 20 - Quiz
Julian verlaagt zijn budget voor huishoudelijke uitgaven. Kies hoe hij kan bezuinigen op deze uitgaven en toch hetzelfde kan blijven kopen.
A
door alle boodschappen in dezelfde winkel te kopen