• Ga na of je eerdere verwachtingen over de tekst bevestigd worden.
• Noteer (en markeer) woorden die je niet kent: achterhaal die via een woordraadstrategie of raadpleeg een woordenboek.
• Markeer van elke alinea de kernzin of de zinnen die samen de belangrijkste informatie geven.
• Markeer de signaalwoorden die een verband tussen alinea’s aangeven.
• Benoem de deelonderwerpen: noteer (in de linkermarge) informerende kopjes of vragen die in het betreffende tekstgedeelte beantwoord worden.
• Markeer functiewoorden (als die er zijn): woorden die de functie van (een deel van) een alinea aanduiden. (→ Handig! § 1.1 Begrippen Lezen) Als ze niet expliciet in de tekst staan, noteer functiewoorden die van toepassing zijn dan in de linkermarge; dat kan lang niet altijd.
• Markeer signaalwoorden die een belangrijk verband tussen (delen van) zinnen aangeven.