Dutch Ab Initio IB Program Vocabulary

Dutch Ab Initio IB Program Vocabulary
1 / 15
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Dutch Ab Initio IB Program Vocabulary

Slide 1 - Slide

Wat betekent ongeveer hetzelfde als
'In het bijzonder' ?
A
Speciaal
B
Minstens
C
Natuurlijk
D
Vooral

Slide 2 - Quiz

Welke zin of zinnen is/zijn een activiteit in de toekomst?
A
Ik zal mijn huiswerk maken
B
Ik ga op vakantie naar Frankrijk
C
Ik werk dan als ingenieur
D
Ik ging op vakantie naar India

Slide 3 - Quiz

Wat betekent het woord 'graag' ?

Slide 4 - Open question

Wat betekent ongeveer hetzelfde als:
'het lijkt mij....'?
A
Ik denk dat...
B
Het is....
C
Ik vind dat.....

Slide 5 - Quiz

Welke woorden horen bij toekomst?
A
Eergisteren
B
Overmorgen
C
Morgen
D
Gisteren

Slide 6 - Quiz

Welke woorden horen bij vroeger?
A
Gisteren
B
Volgende week
C
Morgen
D
Komende week

Slide 7 - Quiz

Welke zin gaat over vroeger?
A
Hij werkt vandaag thuis
B
Hij gaat morgen thuis werken
C
Hij heeft gisteren thuis gewerkt
D
Hij werkte gisteren thuis

Slide 8 - Quiz

Welke zinnen geven een mening?
A
ik vind de politiek maar saai
B
Het examen is moeilijk
C
Het examen duurt 45 minuten
D
Ik ga aan de universiteit studeren

Slide 9 - Quiz

Zet in de goede volgorde:
Liever , graag, liefst

Slide 10 - Open question

Welke zin is goed?
A
In mijn thuis heb ik een grote kamer
B
Thuis heb ik een grote kamer
C
In mijn huis heb ik een grote kamer
D
Mijn huis heb ik een grote kamer

Slide 11 - Quiz

Wat betekent 'moeilijk'?
A
easy
B
difficult

Slide 12 - Quiz

Wat moet je doen bij de vraag:
'Geef minstens twee antwoorden'?
A
Ik geef 1 antwoord
B
Ik geef twee of meer antwoorden
C
Ik geef twee antwoorden
D
Ik geef twee of drie antwoorden

Slide 13 - Quiz

Wat betekent 'makkelijk'?
A
difficult
B
easy

Slide 14 - Quiz

'Geef antwoord op onderstaande vragen'
Wat betekent 'onderstaand'
A
Vragen onder de tekst
B
Vragen boven de tekst

Slide 15 - Quiz