Vul de juiste vorm van het werkwoord in de verleden tijd in.
1. Gisteren ______ ik naar school. (lopen)
2. Vorige week ______ ze een boek. (lezen)
3. Hij ______ gisteren een appel. (eten)
4. Wij ______ naar de markt. (gaan)
5. Zij ______ een liedje. (zingen)