3TL hulpwerkwoorden en will/shall/going to

Grammar unit 2
will
shall
(am/are/is) going to
1 / 24
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Grammar unit 2
will
shall
(am/are/is) going to

Slide 1 - Slide

shall
alleen in vraagzinnen 
met I / we

Shall we go to the cinema this Friday?

Slide 2 - Slide

will
in vraagzinnen met he/she/it/they/you

wanneer iets niet zeker is
(hope, think, maybe, perhaps, probably...)
ook bij weersverwachting

Maybe I will see her this afternoon.

Slide 3 - Slide

going to
vergeet niet:
am/are/is ervoor!

wanneer je iets van plan bent
het zou in je agenda kunnen staan

I am going to move house in March

Slide 4 - Slide

hulpwerkwoorden
Can I go to the bathroom, please?           kan/kunnen/mag/mogen
(Mag ik even naar de wc?)

Could I use your phone?       zou kunnen/zou mogen/kon/konden
(Zou ik je telefoon mogen gebruiken? )
- is beleefder dan can







Slide 5 - Slide

May I enter, sir?
(Mag ik binnenkomen, meneer?)

Might I borrow your pen?
(Zou ik je pen mogen lenen?)
- is beleefder dan may

Slide 6 - Slide

De verleden tijd van can en may wordt ook gebruikt om dingen te beschrijven die onzeker of niet gebeurd zijn:

I could have stayed in bed, but I decided to get up at seven.
(Ik had in bed kunnen blijven, maar besloot om zeven uur op te staan.)
She is late. She might have missed the train.
(Ze is laat. Ze heeft misschien de trein gemist.)
They might be on a holiday.
(Ze zouden op vakantie kunnen zijn. / Misschien zijn ze op vakantie.)


Slide 7 - Slide

Je gebruikt "should" om aan te geven dat iemand iets eigenlijk zou moeten doen. Je geeft bijvoorbeeld advies of je wilt iets afraden:


You should try to get some more exercise.
(Je zou eens iets meer moeten oefenen.)

You shouldn't go out alone, it's dangerous!
(Je moet niet alleen naar buiten gaan, dat is gevaarlijk!)

Slide 8 - Slide

bij regels  /  je vindt zelf dat iets nodig is  /  in de betekenis: ... je moet wel ... (met oorzaak)
You must be 18 to drive a car.
(Je moet 18 zijn om een auto te mogen besturen)

I must finish this assignment today.
(Ik moet dit werk vandaag afmaken.)

You haven't eaten all day. You must be hungry.
(Je hebt de hele dag niet gegeten. Je moet wel honger hebben.)

Slide 9 - Slide

ezelsbruggetje
Na can, may, must, shall, will en do
komt een werkwoord zonder to.

Slide 10 - Slide

oefenen
vul voor de volgende zinnen in:

will
shall
am/are/is going to

Slide 11 - Slide

Tina .……………………………. probably be here in about five minutes.

Slide 12 - Open question

.……………………………. we go out for dinner tonight?

Slide 13 - Open question

Sam .……………………………. ask for Mary's phone number this afternoon!

Slide 14 - Open question

.……………………………. you please ask for her e-mail address for me?

Slide 15 - Open question

Leila.……………………………. come to Peter's birthday party tomorrow. She's just cancelled.

Slide 16 - Open question

oefenen met hulpwerkwoorden

vul in of kies het juiste 
hulpwerkwoord

Slide 17 - Slide

I just .... accept his gift. It was too much.
A
mustn't
B
shouldn't
C
couldn't

Slide 18 - Quiz

I think Tom really ..... tell Lisa the truth.
A
can
B
should
C
could

Slide 19 - Quiz

You ..... ever talk to your mother like that again!
A
mustn't
B
couldn't
C
might not

Slide 20 - Quiz

..... I get you something to drink?
A
Can
B
Must
C
Should

Slide 21 - Quiz

This ..... be Sara's coat but I'm not sure.
A
must
B
could
C
can

Slide 22 - Quiz

Mandy ..... come over because she is really busy.
A
can't
B
mustn't
C
couldn't

Slide 23 - Quiz

..... I borrow your pen?
A
should
B
may
C
might not
D
must

Slide 24 - Quiz