H3L56 - 2THF - Donderdag - 3.8 Grammatica woordsoorten - koppelwerkwoorden

Welkom 2THF : )


Planning van dit uur
  • Stillezen
  • Antwoorden werkblad lijdend en bedrijvend
  • Uitleg (LessonUp) 
  • Maak opdracht 1 t/m 4 van het werkblad 



Aan het einde van deze les
  • weet je (weer) welke drie soorten werkwoorden er zijn;
  • kan je uitleggen wat het verschil is tussen zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden. 


Nederlands
timer
10:00
Aankomende toetsen en opdrachten:
  • Elevator pitch
  • Repetitie hoofdstuk 3 (toetsweek begin april)
  • Boektok (vrijdag 9 mei)
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Welkom 2THF : )


Planning van dit uur
  • Stillezen
  • Antwoorden werkblad lijdend en bedrijvend
  • Uitleg (LessonUp) 
  • Maak opdracht 1 t/m 4 van het werkblad 



Aan het einde van deze les
  • weet je (weer) welke drie soorten werkwoorden er zijn;
  • kan je uitleggen wat het verschil is tussen zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden. 


Nederlands
timer
10:00
Aankomende toetsen en opdrachten:
  • Elevator pitch
  • Repetitie hoofdstuk 3 (toetsweek begin april)
  • Boektok (vrijdag 9 mei)

Slide 1 - Slide

Welke werkwoorden staan er in de zin hieronder?

Mijn broers en zussen hebben door de modder gestampt.

Slide 2 - Open question

hebben gestampt

Slide 3 - Slide

Welke drie soorten werkwoorden zijn er ook alweer?

Slide 4 - Open question

Soorten werkwoorden
1. Zelfstandige werkwoorden (zww) - duidelijke betekenis, hoort bij wg
lopen, fietsen, dansen, bezitten, aanwijzen, ... 

2. Koppelwerkwoorden (kww) - geen duidelijke betekenis, hoort bij ng
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, voorkomen

3. Hulpwerkwoorden (hww) - staat nooit als enige ww in de zin
zijn ,hebben, moeten, zullen, gaan, ... 

Slide 5 - Slide

Zelfstandig werkwoord (zww)

Slide 6 - Slide

Wat is het zelfstandig werkwoord in de zin hieronder?

Mijn broers en zussen hebben door de modder gestampt.
A
hebben
B
gestampt

Slide 7 - Quiz

Wat is het zelfstandig werkwoord in de zin hieronder?

Ik zou het liefste de hele dag willen voetballen.
A
zou
B
willen
C
voetballen

Slide 8 - Quiz

Wat is het zelfstandig werkwoord in de zin hieronder?

Ik heb een prachtig cadeau gekregen.
A
heb
B
gekregen

Slide 9 - Quiz

Koppelwerkwoord (kww)

Slide 10 - Slide

Wat is het koppelwerkwoord in de zin hieronder?

Ik was ziek.
A
was
B
ziek

Slide 11 - Quiz

Welke werkwoorden staan er in de zin hieronder?

Ik ben vorige week ziek geworden.

Slide 12 - Open question

ben geworden

Slide 13 - Slide

Wat is het koppelwerkwoord in de zin hieronder?

Ik ben vorige week ziek geworden.
A
ben
B
geworden

Slide 14 - Quiz

Ik ben vorige week ziek geworden.
Ik ben vorige week ziek gebleven.
Ik ben vorige week ziek geweest

Slide 15 - Slide

Welke werkwoorden staan er in de zin hieronder?

Hij zou minister president moeten zijn.

Slide 16 - Open question

zou moeten zijn

Slide 17 - Slide

Wat is het koppelwerkwoord in de zin hieronder?

Hij zou minister president moeten worden.
A
zou
B
moeten
C
zijn

Slide 18 - Quiz

Hij zou minister president moeten worden.
Hij zou minister president moeten blijven.
Hij zou minister president moeten zijn.

Slide 19 - Slide

Hulpwerkwoord (hww)

Slide 20 - Slide

Wat is het hulpwerkwoord of zijn de hulpwerkwoorden in de zin hieronder?

Hij zou minister president moeten worden.
A
zou
B
moeten
C
worden

Slide 21 - Quiz

Wat is het hulpwerkwoord of zijn de hulpwerkwoorden in de zin hieronder?

Hij zou het gras van de minister president moeten maaien.
A
zou
B
moeten
C
maaien

Slide 22 - Quiz

hww(en) + kww
Hij zou minister president moeten worden.

hww(en) + zww
Hij zou het gras van de minister president moeten maaien.

Slide 23 - Slide

Soorten werkwoorden
Ik fiets.
Ik word dokter.
Ik ben dokter.
Ik blijf dokter.

Ik ben dokter geworden.
 
Ik ben dokter geweest

Ik ben dokter gebleven

Ik heb gefietst

Slide 24 - Slide

Welk soort werkwoord is 'danst' in de zin hieronder?

Mijn neef danst door de tuin.


A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 25 - Quiz

Zelfstandig werkwoord (zww)

Slide 26 - Slide

Welk soort werkwoord is 'gedanst' in de zin hieronder?

Mijn neef heeft rondjes door de tuin gedanst.


A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 27 - Quiz

Zelfstandig werkwoord (zww)

Slide 28 - Slide

Welk soort werkwoord is 'heeft' in de zin hieronder?

Mijn neef heeft rondjes door de tuin gedanst.


A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 29 - Quiz

Hulpwerkwoord (hww)

Slide 30 - Slide

Welk soort werkwoord is 'zou' in de zin hieronder?

Mijn neef zou later chirurg willen worden.


A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 31 - Quiz

Hulpwerkwoord (hww)

Slide 32 - Slide

Welk soort werkwoord is 'worden' in de zin hieronder?

Mijn neef zou later chirurg willen worden.


A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 33 - Quiz

Koppelwerkwoord (kww)

Slide 34 - Slide