Rekenen D1 Paragraaf 1.3

                                                          Welkom!


Vak: Rekenen mbo niveau 4
Blok 1 les 4
1 / 52
next
Slide 1: Slide
RekenenMBOStudiejaar 1-4

This lesson contains 52 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

                                                          Welkom!


Vak: Rekenen mbo niveau 4
Blok 1 les 4

Slide 1 - Slide

This item has no instructions



Hoofdstuk 1 Grootheden en eenheden
Paragraaf 1.3 Gewicht

Domein 1
Toets 1
Domein 2
Toets 2
Domein 3
Toets 3
Domein 4
Toets 4
Domein 5
Examen

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Lezen H1


Groep: PBSD 

Vak: Nederlands blok 1

Docent: mevrouw K. van Zaalen

Les 1
Les 2
Les 3
Les 4
Les 5
Les 6
Les 7
Les 8
Les 9
Les 10
Introductie
Par. 1.1
Par. 1.2
Par. 1.3
Par. 1.4
Par. 1.5
Par. 1.6
Par. 1.7
Par. 1.8
TOETS
Wat gaan we doen?
Starten
Opstarten van de les
Kennis activeren
Uitleg par. 1.3 Gewicht
Kennis trainen
Maken (selectie van) opdrachten par. 1.3
Kennis checken
Nabespreken (selectie van) opdrachten par. 1.3
Kennis toetsen
Toetsen examenopdracht met toelichting
Afronden
Beantwoorden van individuele vragen
Extra
Korte herhaling van de introductie

Slide 3 - Slide

This item has no instructions


Aan het werk via de korte route
  • Blijf ingelogd in Google.
  • Maak de opdrachten van par. 1.2.
  • Meld je tijdig voor de examenopdracht!
Voortgang
Ik beoordeel je opdracht en voorzie die van een cijfer en persoonlijke feedback. 

Slide 4 - Slide

This item has no instructions


Oefenen met de basisvaardigheden
Tijdens de basisroute behandelen we alle lesstof die wordt getoetst bij het examen rekenen. We herhalen daarnaast een deel van de basisvaardigheden. 

Deze week behandelen we de lesstof over handig rekenen met nullen.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions


Vermenigvuldigen met 10, 100 en 1000

Leerdoelen


  • Ik kan vermenigvuldigen met 10, 100 en 1000.



Slide 6 - Slide

This item has no instructions





Als je 2800000 kg vermenigvuldigt met 10 wordt het...


A
20800000 kg
B
28000000 kg

Slide 7 - Quiz

A 2800000 x 10 = 28000000

Het getal wordt 1 nul groter.




Als je 0,025 vermenigvuldigt met 100 wordt het ...


A
0,25
B
2,5

Slide 8 - Quiz

B 0,025 x 100 = 2,5

Het getal wordt 2 nullen groter.




Als je 8,5 vermenigvuldigt met 1000 wordt het ...


A
8500
B
85000

Slide 9 - Quiz

A8,5 x 1000 = 8500

Het getal wordt 3 nullen groter. 

Delen door 10, 100 en 1000

Leerdoelen


  • Ik kan delen door 10, 100 en 1000.



Slide 10 - Slide

This item has no instructions





Als je 2800000 kg deelt door 10 wordt het...


A
280000 kg
B
28000 kg

Slide 11 - Quiz

A 2800000 : 10 = 280000

Het getal wordt 1 nul kleiner.




Als je 0,025 deelt door 100 wordt het ...


A
0,0025
B
0,00025

Slide 12 - Quiz

B 0,025 : 100 = 0,00025

Het getal wordt 2 nullen kleiner. 




Als je 8,5 deelt door 1000 wordt het ...


A
0,085
B
0,0085

Slide 13 - Quiz

B 8,5 : 1000 = 0,0085

Het getal wordt 3 nullen kleiner.
timer
5:00
Pauze

Slide 14 - Slide

This item has no instructions


Paragraaf 1.3 Gewicht

Leerdoelen


  • Ik kan rekenen met gewichtsmaten.



Slide 15 - Slide

This item has no instructions




Hoeveel rekensprongen moet je maken als je omrekent
van centigram naar kilogram?
A
3 sprongen
B
4 sprongen
C
5 sprongen
D
6 sprongen

Slide 16 - Quiz

cg - dg - g - dag - hg - kg
      1       2    3         4      5




2,1 gram =
A
21 decigram
B
210 centigram
C
2100 milligram
D
A + B + C

Slide 17 - Quiz

2,1 x 10 = 21 decigram
2,1 x 10 x 10 = 210 centigram
2,1 x 10 x 10 x 10 = 2100 milligram




5,1 ton =
A
5,1 kilogram
B
51 kilogram
C
510 kilogram
D
5100 kilogram

Slide 18 - Quiz

5,1 x 1000 = 5100 kilogram

Aan het werk via de basisroute
  • Maak opdracht 7 en 8 van paragraaf 1.3.
 

Slide 19 - Slide

This item has no instructions


Opgaven pagina 13
timer
10:00

Slide 20 - Slide

This item has no instructions





7. Schat hoeveel de taart gaat wegen.
A
800 gram
B
1800 gram
C
2800 gram
D
Ik weet het niet.

Slide 21 - Quiz

0,44 kg mix = 0,44 x 1000 = 440 gram
1 kg appels = 1000 gram

440 + 175 + 1000 + 50 + 75 = 1740 gram 



8. Nederland heeft 17 miljoen inwoners. Hoeveel ton papier verbruikt Nederland ongeveer per jaar volgens het artikel?

Slide 22 - Open question

17 000 000 x 165 kg = 2 805 000 000 kg
2 805 000 000 : 1000 = 2 805 000 ton

Aan het werk via de basisroute
  • Maak opdracht 11 en 13 van paragraaf 1.3.
 

Slide 23 - Slide

This item has no instructions


Opgaven pagina 13
timer
20:00

Slide 24 - Slide

This item has no instructions




11a. Hoeveel gram weegt de bril van Job inclusief
de kunststof glazen?
A
28,2 g
B
36,7 g
C
41 g
D
58 g

Slide 25 - Quiz

Een bril heeft een montuur en 2 glazen.

15,4 g + 12,8 g (= 12 800 mg) x 2 = 41 g




11b. Hoeveel gram meer weegt de bril van Job
met normale glazen dan met kunststof glazen?
A
17 g
B
18 g
C
19 g
D
20 g

Slide 26 - Quiz

Normaal 21,3 g (= 21 300 mg) x 2 = 42,6 g
Kunststof 12,8 g (12 800 mg) x 2 = 25,6 g

42,6 g - 25,6 g = 17 g



13a. Bello krijgt 180 gram voer per dag. Hoeveel milliliter water moet daar volgens de tabel bij gedaan worden?
A
1 cup van 240 ml
B
1,5 cups van 240 ml
C
2 cups van 240 ml
D
2,5 cups van 240 ml

Slide 27 - Quiz

2 x 240 ml = 480 ml

Zie onderaan de tabel bij het overzicht van het water.



13b. Nora krijgt 240 gram voer per dag. Hoeveel milliliter water moet daar volgens de tabel bij gedaan worden?
A
600 ml
B
660 ml
C
700 ml
D
760 ml

Slide 28 - Quiz

2,75 x 240 ml = 660 ml
timer
5:00
Pauze

Slide 29 - Slide

This item has no instructions


Paragraaf 1.3 Oefenen voor het examen
Bij het maken van je examen kijken examinatoren niet alleen naar of je het juiste antwoord op de vraag kan geven. Zij willen ook weten hoe je tot dat antwoord bent gekomen. Dat kan je laten zien door een berekening te maken en die op te schrijven. Dat oefenen we bij het maken van de wekelijkse examenopdrachten. 

Slide 30 - Slide

This item has no instructions


Examenopdracht
Juan vervoert twee pallets met stenen. Een
pallet weegt 630 kg. Het gewicht van de auto
is 2,4 ton. De aanhanger weegt 150 kg.

a. Bereken wat het totale gewicht is dat de
    auto van Juan moet vervoeren.

b. Leg in je eigen woorden uit welk rijbewijs
   Juan nodig heeft.
timer
10:00

Slide 31 - Slide

This item has no instructions





a. Hoeveel kilogram vervoert Juan in totaal?
A
630 kg
B
780 kg
C
1260 kg
D
1410 kg

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions





b. Welk rijbewijs heeft Juan nodig?
A
rijbewijs B
B
rijbewijs B + code 96
C
rijbewijs BE
D
Ik weet het niet

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions


Hoe schrijf je dat op bij je examen?
Opdracht a
630 kg x 2 + 150 kg = 1410 kg

Opdracht b
Juan heeft rijbewijs BE nodig, want de maximaal toegestane
massa van de aanhanger en de pallets is hoger dan 1400 kg.
Wat weet je al?
Je weet wat een pallet weegt.
Die weegt 630 kilogram.

Je weet wat de auto weegt.
Die weegt 2,4 ton.

Je weet wat de aanhanger weegt.
Die weegt 150 kg.

Je weet het maximale laadvermogen per rijbewijs.

Slide 34 - Slide

This item has no instructions


Heb je je leerdoelen gehaald?

Leerdoelen

  • Ik kan rekenen met gewichtsmaten.


Volgende week

Slide 35 - Slide

This item has no instructions

                                                          Welkom!


Vak: Rekenen mbo niveau 4
Introductie

Slide 36 - Slide

Naam vakdocent en emailadres melden.




Stel je voor, je loopt op straat en je ziet ineens een
briefje van 50 euro op de grond liggen. Wat doe je?
A
Je bukt en pakt het op. Snel verdiend, toch?
B
Je laat het liggen. Je hebt geld genoeg!

Slide 37 - Quiz

Er zullen maar heel weinig mensen zijn die een briefje van 50 euro op straat laten liggen: het geld ligt namelijk letterlijk voor het oprapen.

Rekenen is het vak van het liggende geld: bij het maken van de opdrachten hoef je vaak alleen maar te bukken en punten op te rapen.

Het examen rekenen is ook een examen van liggend geld: een kwart van het cijfer voor het examen is een kwestie
van bukken en oprapen. 

Je moet alleen wél weten waar het geld ligt. En dát leer je van mij tijdens de lessen rekenen.

Introductie van het vak rekenen
  1. Leerdoelen van de introductie
  2. Belangrijke informatie vak rekenen
  3. Belangrijke informatie examen
  4. Aanwezigheid en activiteit
  5. Regels tijdens de lessen






Slide 38 - Slide

This item has no instructions


1. Leerdoelen van deze introductie
  • Je weet met welk examen het vak rekenen wordt afgesloten.
  • Je weet wat je moet doen om het examen rekenen te halen.
  • Je weet wat jouw beginniveau is en waar je nog mee moet oefenen.
  • Je kunt de richtlijnen benoemen die belangrijk zijn voor het examen.

Slide 39 - Slide

This item has no instructions


2. Belangrijke informatie vak rekenen
Het vak rekenen beslaat vijf domeinen. Een domein is een vakgebied binnen het rekenen. Je sluit het vak rekenen in week 30 af met een instellingsexamen. Je bereidt je voor op dat examen door het maken van wekelijkse (examen)opdrachten en vijf verplichte toetsen. Daarbij gebruik je de basisvaardigheden als hulpmiddel.


Slide 40 - Slide

This item has no instructions


Domeinen vak rekenen
Domeinen
Blok
Niveau
1.
Grootheden en eenheden
1
BBL en BOL niveau 3 en 4
2.
Oriëntatie in de twee- en driedimensionale wereld
2
BBL en BOL niveau 3 en 4
3.
Verhoudingen herkennen en gebruiken
2
BBL en BOL niveau 3 en 4
4.
Procenten gebruiken
3
BBL en BOL niveau 3 en 4
5.
Omgaan met kwantitatieve informatie
3
BBL en BOL niveau 3 en 4

Slide 41 - Slide

This item has no instructions


Lesmateriaal
Tijdens de online lessen oefenen we met opdrachten van de methode NU Rekenen van uitgeverij Noordhoff. Voor NU Rekenen heb je een licentie nodig. Aan de eerste 6 lessen kan je deelnemen zonder licentie; vanaf week 7 is een geactiveerde licentie noodzakelijk. Zonder licentie kan je niet actief deelnemen aan de lessen.

Slide 42 - Slide

Welke licentie je moet bestellen, hoe je die moet activeren en hoe je je aan de juiste klas moet koppelen, kan je vinden in Google Classroom. 

3. Belangrijke informatie examen
Tijdens het instellingsexamen nieuwe stijl worden je kennis en vaardigheden binnen de vijf domeinen van het vak rekenen getoetst. Het examen wordt aan het eind van blok 3 op de vaste leslocatie afgenomen. Je hebt twee uur de tijd om ongeveer 25 opdrachten te maken. Daarbij mag je een online rekenblad en rekenmachine gebruiken.


Rekenvraag I
Hoeveel minuten heb je per opdracht?

Slide 43 - Slide

120 : 25 = 4,8 minuten

Slaag- en zakregeling generieke vakken
De generieke vakken rekenen, Engels en Nederlands worden met een voldoende afgerond als er voor maximaal één vak minimaal een 5, en voor de twee andere vakken een 6 of hoger is behaald. Maar we gaan natuurlijk voor het maximale.



Slide 44 - Slide

This item has no instructions


4. Aanwezigheid en activiteit
Bij de start van de online les moet je aanwezig zijn. Je aanwezigheid wordt bijgehouden aan de hand van de tijden waarop je bent ingelogd in Google Meet. Er wordt van je verwacht dat je actief aan de lessen meedoet. Zowel je aanwezigheid als activiteit worden in Yuno bijgehouden. Die komen onder andere ter sprake gedurende de SLB-gesprekken.

Slide 45 - Slide

This item has no instructions


5. Regels lessen en absentie
  • Je bent tenminste 80% van de verplichte lestijd aangemeld in Google.
  • Je maakt iedere les minimaal vier verplichte online opdrachten.
  • Je maakt minimaal vier van de vijf verplichte domeintoetsen.
  • Je stelt eventuele vragen in de chat of via de mail.


Rekenvraag II
Wat is 80% van 2,5 uur?

Slide 46 - Slide

1 uur = 60 minuten
2 uur = 120 minuten
0,5 uur = 30 minuten

120 + 30 = 150 minuten

150 : 100 x 80 = 120 minuten
of 150 x 0,8 = 120 minuten


Beoordeling per blok
Aanwezigheid                                                       Resultaat domeintoetsen



Activiteit
9 - 10 lessen = goed
5 - 8 lessen = voldoende
< 5 lessen = onvoldoende
4 online opdrachten + EO = goed
4 online opdrachten = voldoende
< 4 online opdrachten = onvoldoende
cijfer hoger dan 8,4 = zeer goed
cijfer tussen 7 en 8,4 = goed
cijfer tussen 5 en 6,9 = voldoende
cijfer lager dan 5 = onvoldoende

Slide 47 - Slide

This item has no instructions


Ben je ziek?
Stuur me dan vóór de les een mail en vermeld daarin duidelijk je naam en groep.

Slide 48 - Slide

Mailadres vermelden in de chat.



Heb je een vraag of opmerking?

Slide 49 - Open question

This item has no instructions


Hoe reken je in de praktijk?
Ab werkt drie dagen in de week en volgt daarnaast de versnelde opleiding tot sociaal werker. Hij heeft 2,5 uur per week rekenles. Daarbij is een aanwezigheidsplicht van 80% vereist. Ab ziet op zijn iPhone dat hij tijdens zijn tweede les 1:33 uur aanwezig is geweest. Tot zijn verbazing ziet hij na de les dat zijn docent hem toch op afwezig heeft gezet.

a. Bereken hoeveel minuten Ab aanwezig moet zijn tijdens zijn rekenlessen.
b. Leg in je eigen woorden uit waarom de docent Ab op afwezig heeft gezet. 

timer
3:00

Slide 50 - Slide

This item has no instructions





a. Bereken hoeveel minuten Ab aanwezig moet zijn.
A
120 minuten
B
133 minuten
C
150 minuten
D
250 minuten

Slide 51 - Quiz

1 uur = 60 minuten
2 uur = 120 minuten
0,5 uur = 30 minuten

2,5 uur = 120 + 30 = 150 minuten

150 : 100 x 80 = 120 minuten

of

150 x 0,8 = 120 minuten


b. Leg in je eigen woorden uit waarom de docent Ab op
afwezig heeft gezet.

Slide 52 - Open question

De docent heeft Ab op afwezig gezet, omdat hij 93 minuten aanwezig was en hij 120 minuten aanwezig had moeten zijn.